09-12-15

Het Land van Ooit

  

'Ik wil niets zijn,' zei de kraai plotseling.
Zijn stem was schor en zacht. 'Dat wil ik al heel lang.'
'Niets?' vroeg de eekhoorn verbaasd.
'Ja,' zei de kraai. 'Niets'.
...

Alles zijn, dat kan, dacht de eekhoorn.
De mier is alles. Hij stond even stil. Tenminste, dacht hij,
ik kan niets bedenken wat de mier niet is.
Hij liep weer verder. Maar niets? Niets leek hem
het moeilijkste en verdrietigste wat er bestond.
En hij wist niet of iemand dat ooit kon zijn.

Uit 'Heden niet jarig' - pag. 9 & 10 - Toon Tellegen

 

 
Ooit zat ik in een zetel
en tussen de lawaaiërige grote mensen
te lezen en ongemerkt te wenen.

Ik denk met weemoed terug
aan die tijd
waaraan dat gevoel kleeft.

De werkelijkheid was een boek.
En wat daar buiten gebeurde:
vreemd en onbekend.

Ik stond dichter bij
Winnetou en Old Shatterhand
dan bij de buren.

Die vreemde wezens.
Met hun lange lichamen
en hun harde onbehouwen woorden.

Tja, ik was toen al
een oud jongetje.
En ben dat gebleven.

Niet op zijn gemak tussen de kikkers die nooit een prins werden.

 

 

PS.
Beste lezer, u mag mij gerust een onvolwassen gepensioneerde dromer noemen.
U zal niet ver van de waarheid zitten.
Waarom zou ik er dan een probleem van maken.

Ik heb veel geluk gehad. Geboren tijdens de oorlog.
Maar geleefd in vrede. Tot nu toe toch. Hier tenminste.
En in een tijd waar ik met mijn minimale talenten
toch een plaatsje mocht verwerven. In de Maatschappij.

Zodat ik mij (min of meer) onafhankelijk en ongemerkt
tussen de massa kon schuil houden.
Ik heb medelijden met al die jonge mensen
die begiftigd met eenzelfde stel hersenen en kwaliteiten als ik,
nog door het leven moeten.

Kunnen zij nog blijven dromen?

PS.
Ik kan mij vandaag veel minder dan als kind inleven in een boek.
Daaruit besluit ik dat ik toch mijn onbevangenheid ben verloren.
In Toon Tellegen vind ik 'mijn kind' terug.

Wonderbaarlijk hoe hij naar de grote mensen kijkt.
-Via de dieren in Misschien wisten zij alles.-
Dank u wel, Toon, dierbare schrijver.
U redt mij dikwijls van het leven. En u weet het niet.

 

264099 

29-10-15

Moedeloos voorwaarts

 

Ik ben er altijd wel weer goed voor, dacht hij,
als er iemand ontploft.
Even later zat de krekel weer in elkaar. Hij fronste
zijn wenkbrauwen, trok z'n knieën tegen zijn kin en
liet zijn jas even wapperen. Alles werkte.

Hij bedankte de boktor. Maar toch stapte hij somber
de deur uit, want zijn vrolijke gedachten had de boktor
ongemerkt achter gehouden. Die kan ik vandaag
best gebruiken, dacht hij.

Uit 'Misschien wisten zij alles' - pagina 321 - 322 - Toon Tellegen

 

Alsof ik een dik boek open
voor het venster.
Zo kijk ik naar de ochtend.

En blader door het raam.

Mijn vingers tasten naar woorden
die er nog niet staan.
Ik proef ze, terwijl ik wacht.

Voor het onbeschreven wit.

Ongeschreven gedachten.
Die wachten op
letters uit een alphabet.

Zinnen uit het niets. Zinloos.

 

 

 

 

PS.
Waar liet 'de nacht' mijn vrolijke gedachten.
Bleven ze tussen de lakens liggen.
Nog moe van het denken.

Verzonken ze in vooruitzichten?

Ik denk aan Touché en Jef Rademakers bij Friedl.
'Moedeloos voorwaarts'.
Dat was zijn adagium.

Ik trek naar boven. Misschien vind ik wel wat
vrolijke gedachten. Onder de douche.
Voorwaarts mars, soldaat milicien uit '65.

 

https://www.youtube.com/watch?v=8jEJfOxAIME

 

 

 

259925

23-10-15

Nog voor de avond tot aan de boterbloem

 


Maar toen hij dat dacht voelde hij iets in zich knagen.
Hij wist dat dat de twijfel was. Het is nog maar de vraag, dacht hij,
of ik gelukkig ben.
...

Nu glim ik, dacht hij even later. Hij wist dat bijna zeker.
Stralend klom de zon boven het bos uit.
De schildpad begon te wandelen. In de verte zag hij een boterbloem
die hij nog voor de avond wilde bereiken.

Uit 'Misschien wisten zij alles' - pagina 387 - 388 - Toon Tellegen

 


Als ik nu nog verlang
dan wil ik dit
traag als een schildpad.

Zodat het lang duurt
vooraleer het gemis
is uitgeput.

En de verte van de avond
is verdwenen.
Achter mijn twijfel.

Een boterbloem ver. Verwijderd.

 

 

 

PS.
Toon is mijn herder.
En mijn bijbel.
Hoe ik zijn fabels inhaleer.

Als een verstokte lezer.

Sprookjes voor grote kinderen.
Amper de korte broek ontgroeid.
En blijven steken.

In de verwondering.

 

PS.
En dan lees ik ergens een stukje.
Gevuld met twijfel en pijn.
En dan reageer ik meteen.

Met blauwe vingers. Inktvers.

 

In de wolken leven.
Dat kan ook.
Op een berg.

En hopen dat het opklaart.

En dan de verte zien.
En de dalen.
Waaruit je vertrok.

Beneden
ligt het vermoeden.
Boven
het weten.

En daartussenin: de twijfel.

 

259381

 

21-10-15

Wie schrijft die blijft

 

'O mier,' schreef de eekhoorn, 'ik wou dat je hier bij mij was'.
'Maar ik ben toch hier?' schreef de mier terug.
'Je hebt gelijk,' schreef de eekhoorn.

En zo, in het gras, op hun ellebogen leunend, naast elkaar,
schreven zij de ene brief na de andere aan elkaar
en wachtten telkens ongeduldig op elkaars antwoord.


Uit 'Misschien wisten zij alles' - Pag. 45 - Toon Tellegen

 

 
Bestaat er een schoner
lege plek
dan het wit van papier

geduldig als de liefde

begerig als een onbeschreven blad
een maagdelijk vel
voor een volle pen

die zich leeg wil schrijven. Om te blijven.

 

 

http://uvi.skynetblogs.be/een-lege-plek/

 

PS.
Er bestaan vele lege plekken.
In je geheugen, bijvoorbeeld.
Als je gedachten afgestorven zijn.

Verdwenen uit je verleden.

Er zijn ook moeilijk te bereiken plekken.
Die van gemis en verlangen.
Door tijd en afstand.

Of gebrek. Aan liefde bijvoorbeeld.

Dichters schrijven vele plekken leeg.
Zodat lezers ze kunnen vullen.
Onderweg naar ergens. Om te blijven.


PS.
Mijn stad schrijft poëzie. Op de straat.
Maar je moet ze kunnen lezen.
Tastend als een blinde.

Soms tastbaar als een vrouw.

Gisteren nog las ik een feminien gedicht.
Zomaar.
En volkomen onverwacht.

Wij vielen in elkaars armen.
En we kenden mekaars naam nog niet.
Onze woorden al wel.

Ik had haar jaren geleden gezegd
dat ze op Simone de Beauvoir geleek.
Ze was het niet vergeten.

En plots schreven onze armen zomaar poëzie.

We schrokken ervan. Omdat we nog beiden
lijden aan verwondering.
En dat dit zomaar kon.

Een gedicht schrijven
in het midden van de straat.
Met twee armen. Maal twee.

 

PS.
En dan vind ik op mijn witte lege virtuele pagina,
een aanhef. Slechts enkele regels.
En ze blijven maar wachten. Op een vervolg.
Dat er niet komt.

Ach, zal ik ze hier dan maar een plekje geven.


Hoe de bladeren aan de bomen
zich tegen de lucht tekenen
en de wolken het blauw uit de hemel gommen.

 

Laat mij maar een vrouw tekenen.
Op de straat, denk ik dan.
En ze niet uitgommen.
Maar ze bewaren. In verwondering.

Op een plek om te vergeten.

 

259159

09-10-15

Zo'n doodgewone dag

 


Het was lange tijd stil. Dunne nevels maakten zich voorzichtig
uit de struiken los en slingerden langzaam tussen de bomen
door het bos in.

'Ik word wel eens moe van mijzelf,' zei de mier toen.
'Word jij dat nooit?'
'Maar waar word jij dan moe van?' vroeg de eekhoorn.
'Dat weet ik niet, ' zei de mier. 'Het is zo maar moe. In het algemeen.'
De eekhoorn had daar nog nooit van gehoord. Hij krabde achter zijn oor
en dacht na over zichzelf. En toen hij een hele tijd over zichzelf had nagedacht,
werd hij tot zijn verbazing ook moe van zichzelf. Het was een raar gevoel.
'Ja,' zei hij. 'Nu ben ik ook moe van mijzelf.'

De mier knikte.
Het was een warme avond. In de verte riep de uil iets naar beneden
en hoog in de lucht stond de maan, groot en rond.
De mier en de eekhoorn zwegen en rustten uit van zichzelf.
Af en toe zuchtten zij, fronsten hun wenkbrauwen en aten een paar beukenoten
en een kleine hap honing.
Pas heel laat, toen de maan bijna al onderging, waren zij uitgerust en vielen zij in slaap.

Uit 'Misschien wisten zij alles' - pagina 354 - Toon Tellegen

 


Hij wacht op mij.
Zijn licht nog slordig
ongekamd achter de bomen.

Er ligt nog wat slaap
op de horizon. Te treuzelen.
En de wolken lijken trage woorden.

Die drentelen op beduimeld papier.

Ik laat de eekhoorn
slapen. Bij de mier.
Tussen de bladen van dat dikke bed.

En het plein
ligt ongestoord te gapen.
In de stilte van de ochtenduren.

Ach.

 

 

 


PS.
Misschien ken jij dat niet.
Zo'n ochtend die voor het raam staat.
En wacht.

Tot er iets gebeuren gaat.


https://www.youtube.com/watch?v=V5xS2hfh_NI

 

257777

 

08-10-15

Brieven hier

 


'NIEMAND WEET NATUURLIJK WAAR IK WOON!'
riep de egel en hij sloeg zichzelf voor zijn voorhoofd.
'Vandaar dat ik nooit post krijg!'

Hij zat in een hoek van zijn kamer onder de struik
en dacht na over zijn eenzaamheid. Niet dat hij iemand
wilde zien, maar hij wilde wel graag eens iets van iemand horen.

Plotseling wist hij wat hem te doen stond. Hij stak zijn stekels op
en liep naar de berk, niet ver van de struik. Daar kraste hij in
de bast, met een van zijn scherpste stekels:

Brieven voor mij gaarne hier bezorgen.
Egel.

Uit 'Misschien wisten zij alles' - pagina 228 - Toon Tellegen

 

Hier.
Is een mooie lege plek.
Voor jou.

En je brieven.
Die je nooit schrijft.
En ik nooit lees.

Wij zijn als twee koningskinderen
die elkaar
niet kunnen ontmoeten.

Het wit is te week.
Of de letters lijken te zwart.
Het is altijd wel wat.

En nochtans,
ik kan ze al lezen.
Ook zonder dat jij ze schrijft.

Er was eens...
Ooit...
Vroeger toen...

Zo beginnen ze dan. En wat volgt... is minder belangrijk.

 

 

Beste egel,
Hoi!
Eekhoorn

Meer wist hij niet te bedenken, en hij vond het eigenlijk een brief
van niets. Maar omdat hij hem toch beter vond dan geen brief
legde hij hem in het mos onder de berk.

De volgende ochtend vond de egel hem daar.
Er sprongen tranen in zijn ogen toen hij hem las.
Beste egel, las hij telkens weer, beste egel, beste egel.
Ik ben een beste egel, dacht hij.

En om dat niet te vergeten prikte hij de brief aan de onderste stekel
van zijn voorhoofd, zodat hij vlak voor zijn ogen hing
en hij dus altijd kon lezen, als hij daar zijn twijfels over had,
dat hij een beste egel was.

Wat is het heerlijk om post te krijgen, dacht hij die avond in zijn bed
in zijn kamer onder de struik.

Uit 'Misschien wisten zij alles' - pagina 228 - Toon Tellegen

 

 

257699

03-10-15

Misschien

 

Misschien…
is een heerlijk, maar kwetsbaar woord.
Het hapert
aan twijfel, maar er k’leeft ook hoop aan boord.

Misschien…
lijkt op een aarzeling.
Verlangen op weg naar morgen.

Later…
is een nest. Van gemis.

 

 

 

 

PS.
Prachtig stukje!

Misschien ken je het boek al.
Maar toch wil ik het je nog eens aanbevelen:

Misschien wisten zij alles.
313 verhalen over de eekhoorn en andere dieren.
Van Toon Tellegen.

Een zwaar boek
voor lichte mensen. Met een rugzak.
En verwondering.

 

Deze reactie elders geschreven.

 

 

 

30-09-15

Palazzo

 

De eekhoorn tilde zijn staart op, schudde hem uit
en legde hem voorzichtig over de mier heen.
Het puntje van de staart kwam precies tot het voorhoofd van de mier.

   'Dank je wel,' mompelde de mier.
De eekhoorn dacht: als de mier mij nu vraagt of ik het koud heb,
dan zeg ik: nee, want hij heeft niets om over mij heen te leggen...

Even later draaide de mier zich op zijn zij, onder de staart
van de eekhoorn, en vroeg:
  'Heb jij het niet koud, eekhoorn?'
  'Nee,' zei de eekhoorn en hij probeerde zo onopvallend mogelijk
te rillen.
  'Als je het koud had,' vroeg de mier, 'zou je het dan zeggen?'
  'Nee. Dan zou ik het niet zeggen.'
  'Dus je zou het nu koud kunnen hebben...'

O, dacht de eekhoorn, wat moet ik daar nu op zeggen.
Hij dacht even na en zei toen maar: 'Ik heb het in geen enkel geval
koud, mier.'
De mier zweeg. Maar even later zei hij: 'Als ik iets opschuif
kun jij ook onder je staart liggen.'
Daar had de eekhoorn nog niet aan gedacht.

Uit 'Mischien wisten zij alles' - pagina 302 - Toon Tellegen

 


Het dikke boek van Toon
is doorspekt met herinneringen.
Van papier.

En van mij.

Geschreven kaartjes. Vele rekeningen.
Betaald verleden.
Treintickets. Vooral restaurantbonnetjes.

Naar en aan zee.

De tijd wist
helaas, ook de plekken. En de getallen.
Genadeloos. Of moet ik genadig schrijven?

Palazzo.

Dat kan ik nog net ontcijferen.
Een barmhartig gebaar.
Van de drukinkt.

De naam klinkt Italiaans.

Maar daar waren we nooit.
Samen.
De tijd heb ik ooit willen beschermen.

In potlood overschreef ik
de datum:
07052008.

De herinnering is opgebrand.

 

 

'Herinnering is de vlam die de brandstof overleeft.'
Paul Valéry.

 


PS.
Misschien heeft een herinnering haar staart
over een andere herinnering geslagen.
Eentje die het koud had.

En ligt ze zo, nu voor altijd te slapen.
Een Doornroosje.
Onder mijn vergeten tijd.

 

PS.
Terwijl de zon mijn oude knoken verwarmt,
doen Tellegen en Dewulf dat ook.
Tastbaar. Op de huid van mijn ontroering.

Misschien wordt deze ochtend ooit wel een herinnering.

En jij?

 

 

 256747

29-09-15

Ik kras maar wat


Het schrijvertje zat aan de rand van het meer
en dacht: het is vandaag veel te mooi weer om te schrijven.
Hij knikte tevreden. Maar stilzitten kon hij niet.

Weet je wat, dacht hij, ik ga gewoon wat op het water krassen.
Hij stapte naar het water en kraste
van de ene kant van het meer naar de andere kant.
De zwaluw vloog hoog over hem heen en keek
verbaasd naar beneden.

 'Wat staat daar?' riep hij.
 'Niets!' riep de het schrijvertje. 'Ik kras maar wat.'
 'O,' riep de zwaluw en vloog weer verder.

Uit 'Misschien wisten zij alles' - pag. 428 - Toon Tellegen

 


Mijn talenten zijn niet rendabel.

Ik zeg maar wat:
lanterfanten, mijn wilde tuin ongemoeid laten,
op de bank zitten voor de kerk op de Grote Markt,
op de bruidjes wachten die nog lachen op de pui van het stadhuis,
op een terrasje achteloos naar de passanten kijken,
of bijv. op zolder naar de ondergaande zon, zoals gisterenavond: bloedrood.

Het brengt mij niets op.

Terwijl de dood van moeder bijvoorbeeld, waar ik ook niets voor hoefde te doen,
mij heel wat geld genereert.
Mijn jonge nichten zijn nu gretig en gedreven bezig met de verdeling.

Ik wacht.

 


PS.
Gisteren als een schuwe schicht het appartement van moeder
binnen geslopen.
De kasten waren dicht. En leeg. De frigo zweeg.

Met schuldige haast vlug twee plastieken beeldjes van Maria meegegrist.
Gevuld met water. Uit Lourdes en Scherpenheuvel.
Een aandenken voor m'n dochter. Geschenk dat zij ooit voor moeder kocht.

Ook tot mijn grote verbazing een paternoster gevonden met blauwe kralen.
In zilver gedrapeerd.
Ik herkende hem meteen. In '59 (?) kocht ik 'm voor moeder.

Tijdens de schoolreis van onze Poësis. In Rome. Toen ik nog jong was en droomde.

 

PS.
Het maakt mij woest en verdrietig.

Hoe de destijdse afwezigen zo aanwezig zijn nu.
Hoe ze zelfs de verste nazaten uitnodigen op de flat
om een 'aandenken' (tussen de 'spullen') aan moeder te komen kiezen.

Mijn aandenken, dat ik koester, zijn de voorbije drieëntwintig jaren
die ik meestal alleen met haar doorbracht op woensdag en zondag.
Zelfs 'moederkesdag'. En elke dag aan de telefoon.

Waren ze toen maar zo gulzig geweest om haar op te zoeken.

 

 

 256652

 

28-09-15

De god van kleine dingen

 


OP EEN OCHTEND SCHREEF DE EEKHOORN EEN BRIEF
aan de mier.

Beste mier,

Ik wil je iets zeggen, maar ik denk dat ik het beter kan schrijven.
Daarom schrijf ik je.
Maar misschien kan ik het je toch beter zeggen.
Eekhoorn.

De wind blies de brief naar de mier. Het was een mooie dag
en niet lang daarna stapte de mier de kamer van de eekhoorn in.
...
Even later aten zij honig, versuikerde beukenoten en zoet
wilgenhout, en hadden ze het over de dingen die de mier wist
en die de eekhoorn nog niet wist of vergeten was.
...
Ten slotte schraapte de mier zijn keel en vroeg:
  'Wat wil je mij nu eigenlijk zeggen?'

De eekhoorn dacht diep na, keek naar de vloer
en naar het plafond, zuchtte diep en zei:
  'Ik denk dat ik je dat beter kan schrijven.'
  'Dat is goed,' zei de mier.
...

Uit 'Misschien wisten zij alles' - pag. 320 - Toon Tellegen

 

 

 

Als een egel, zo kruipt mijn twijfel
over het weke wit.
Een gevaarlijk wak in het weten.

Je zakt er zomaar door.
Als je aarzelend een pirouette draait
over het alphabet.

Terwijl je schaatsen
sporen achterlaten
over het bevroren water.

Zoals je eerste griffel
op die zwarte lei.
Traagzaam en onzeker.

Toen je alles nog moest leren. Weten.

 

 

PS.
Super-Maan!
Zo is het leven vandaag. De uitzonderingen
worden de regel in de Media.

Terwijl dichters de maan melken
tot ze het licht romig morst.
Over de aarde. Elke nacht opnieuw.

En de gazetten slapen.

 


PS.
O, jawel Jaweh,
Gij hebt het gemakkelijk.
Gij schrijft de wind in de bomen
en zij vertalen dan wel Uw metaforen

zelfs zonder woorden.

De getijden van de zee
met het metrum van een gebedsmolen
zij prevelen uw naam, als een mantra
voor de jamben van een hemelhoge vrouw

die Gij naar de aarde bracht om Adam te bekoren.


Helaas, waar vind ik
de zinnen over de stilte en het orkaan,
de aren van een wiegend alphabet
en grasgroene weiden met grazende dichters.

Hoelang nog bezet ik dit wit. Met nietszeggende woorden.

 

 256549

27-09-15

Ochtendgloren op zondag

 

 

De mier en de eekhoorn stonden op het strand.
Zij waren al dagenlang op reis, en ook al beleefden zij niets,
zij waren zeer tevreden over hun reis.
'Het is een bijzondere reis,' zei de eekhoorn.
De mier knikte.

Uit 'Misschien wisten zij alles' - Toon Tellegen - pag.182

 

 


De schemering twijfelde nog.
Maar de ochtend niet.
Hij klapte het duister open
als een luik. De vleugel van een vlinder.

Met Bleu de Provence.

En zie:
de zon schildert
'la vie en rose'.

Het licht druipt
van de hemel.
Tussen de slaperige bomen.

Gelukkig ben ik al op.
Om het te zien.
En te bewaren.

Gewikkeld als een boreling in dit wit.

 

 


PS.
Het bed stootte mij af. Als een overbodig orgaan.
De transplantatie van het rozige licht
op mijn vroege netvlies, liet mij weer zien.

Een mirakel. Dat zomaar gebeurde.

"Oculos habent sed non vident."

Hoe dikwijls zou de Prefect van het Klein Seminarie
ons dat in het aangezicht gegooid hebben.
Met het milde mijsprijzen van een imitator van God.

Ik zie hem daar nog staan. Hoog boven ons verheven
op het gestoelte,
een zwarte Kraai die ons de Levieten las.

Ex cathedra.

Wij waren toen nog bange en blinde passagiers
in het Leven.
Dat naar ons lachte.

Extra muros.

 

 http://uvi.skynetblogs.be/archive/2011/12/16/zoveel-vroeger.html

 

 

Tja, van Toon krijg ik nooit genoeg. Ik weet immers nog niets.

 

http://uvi.skynetblogs.be/archive/2013/09/19/tussen-lust-...

 

 

 

15-09-15

de kleine filosofie

 

 

'Springen,' zei de slak, 'ligt mij niet.'
'Neen, ' zei de schildpad. 'Mij ook niet.
Ik hou meer van wonen.'
'Ik ook,' zei de slak. 'Ik krijg nooit genoeg van wonen.'

Zij zaten naast elkaar aan de rand van de vijver
en keken naar de kikker die probeerde van het ene lelieblad
naar het andere te springen.

Uit 'Misschien wisten zij alles' - pag. 292
Toon Tellegen

 


de kleine filosofie
die schrijf je haperend
aan de dag
 
de ochtend
een prelude tussen verlangen
en het besef
 
dat gemis
een gift is
om te blijven dromen.
 

 

 

 
PS.
Langzaam trekt moeder op.
Als mist boven november.
Straks zal het kerkhof weer treuren.
 
 
 
PS.
Lang heb ik Toon verwaarloosd.
Zoals God.
Van de kleine dingen.

Zopas nam ik hem in mijn handen.
En las.
Alsof alles nieuw was.

En ik geloofde weer. In wat ik niet zag.

 

255077

12-01-14

Alsof

 


Neen, de tijd stond niet stil.
Het wit bleef bedaard
en ongeschonden. Misschien

zelfs vrolijk en onbezorgd.

Als een zondagochtend
met speels licht
over de rijp en het rijm.

Tussen de regels gelegd. Vers.

Alsof alles al voorbij is.
De liefde, de tijd en de lezer.
Het getal en het woord.

Net een gedicht. Nog voor het geschreven is.

 

 

 

Toe-maatje.

http://uvi.skynetblogs.be/archive/2013/05/30/de-proef-op-...

 

 

 192.633

 

03-01-14

Het antwoord

 

 

'O mier,' schreef de eekhoorn, 'ik wou dat je hier bij mij was'.
'Maar ik ben toch hier?' schreef de mier terug.
'Je hebt gelijk,' schreef de eekhoorn.

En zo, in het gras, op hun ellebogen leunend, naast elkaar,
schreven zij de ene brief na de andere aan elkaar
en wachtten telkens ongeduldig op elkaars antwoord.


Uit 'Misschien wisten zij alles' - Pag. 45 - Toon Tellegen

 

Het antwoord, is het moeilijkste.
Moet helder zijn, doch ook wat ondoorzichtig soms.
Beleefd en voornaam.

Sjiek, o ja,
ik hou van antwoorden met standing.
Die staan. Als een rots in de branding.

Een baken. Blakend van vertrouwen.

Het antwoord, moet ook hoffelijk zijn.
Lichtjes complimenteus.
Maar zo dat het niet opvalt.

Het kan immers iemands leven redden.
Al was het maar voor één dag.
Laat het dus barmhartig zijn.

Liever dan boordevol gevuld met waarheid.
Die we al kennen.
En trachten te vergeten.

O, mijn God, was er maar iemand
om mij een antwoord te schrijven.
Ik stel de vragen wel.

 

 

 

PS.
Het wit wacht. Niet op Godot.

 

 

191881

 

19-09-13

Tussen lust en liefde

 


'Ik wil hier niet meer wonen,' zei de egel
op een ochtend tegen de eekhoorn.
Ze stonden voor de deur van de egel.

'Waar wil je dan wonen?' vroeg de eekhoorn.
'Daar, zei de egel en wees omhoog.
'Daar, op het puntje van die tak.'

'Dààr???' zei de eekhoorn. 'Daar kun je helemaal niet wonen, egel....'
'En toch wil ik daar wonen,' zei de egel.
'Het is daar heel wankel,' zei de eekhoorn.
'Ik wil ook wel eens wankel wonen,' zei de egel, 'en gevaar lopen.
Ik loop nooit gevaar, eekhoorn, nooit.'

Uit 'Misschien wisten zij alles' - pag. 394 - Toon Tellegen

 

 

Mijn vingers zijn niet tevreden.
Over mij. En hun gedachten.
Ach, ze willen altijd maar over 'de liefde' schrijven.
Alsof dàt het enige in hun leven is. Wat telt. Waar ze van dromen.
En niet beseffen hoe 'gevaarlijk en wankel' die is.

Nu en dan lees ik hen een stukje voor.
Over de eekhoorn en de mier.
Of van de egel die op een tak wilde gaan wonen.
In een opwelling. Ik haal er zelfs 'de verdrietdokter' bij.

Om ze te leren 'een beetje ongelukkig te zijn'.

Het helpt niet. En dat ondanks hun rimpels.
Ondanks het feit dat ze al wat krom trekken.
A la baron Guillaume Dupuytren.
Of misschien wel juist daarom. Als een laatste opwelling.

Ze blijven verlangen naar tastbare liefde.
Tederheid, noemen zij dat.

Soms vraag ik me af of ze zich niet mistasten.
Tussen lust en liefde.
Er ligt daar immers een immens grensgebied tussenin.
Om zich te vergissen.

In een opwelling.

 

 

 

 

 

PS.
Maar, beste lezer, zoals je al kan vermoeden:
de egel zit niet zo comfortabel op die zwiepende tak.

'Waarom wil je daar ook wonen?' vroeg de eekhoorn.
'Zal ik het je eerlijk zeggen?' vroeg de egel.
'Ja.'
'Het was een opwelling.'

De eekhoorn zuchtte en dacht na over opwellingen.
De mier had vaak opwellingen, hijzelf nooit. Hij keek naar de grond
en vroeg zich af hoe hij aan opwellingen zou kunnen komen.
Maar hij wist van de mier dat je ze nooit vindt als je ze zoekt.

PS.
Dierbare lezer,
ik durf het mijn vingers niet vertellen dat ik in mijn leven,
meer dan eens op een foute tak heb gezeten.
Met een opwelling.

 

 

http://uvi.skynetblogs.be/archive/2013/08/13/de-profeet-7...

 


http://nl.wikipedia.org/wiki/Ziekte_van_Dupuytren

 

 180.724

 

16-09-13

Aarzelen is het kabbelen van de twijfel

 


Later die ochtend spraken zij nog over springen,
dat volgens de olifant heel in de verte op schuifelen leek
en ook wel op kabbelen.

'Kan jij kabbelen?' vroeg de waterslak.
De olifant dacht even na en zei toen, aarzelend:
'Nee, ik geloof het niet.'

'Ik ook niet,' zei de waterslak. 'Maar het is wel mijn liefste wens:
zachtjes kabbelen, als ik dat nog eens zou kunnen...'


Uit 'Misschien wisten zij alles' - pag. 330 - Toon Tellegen

 

 


De ochtend kabbelt
langs de huizen. De stad is slaperig.
De muziek dempt haar decibels. Nog.
En de bevoorrading wiegt over de straten.

De boekenwinkel bladert open.
Ik koop wat belegen poëzie. Voor een prijsje.
Een liegend konijn. Geschoten in oktober 2012.
Jonge dichters op de cover.

Op weg naar huis
snijdt een MUG de stilte open.
Hij haast zich
om de dood voor te blijven.

Thuis in mijn kloostertuintje bidt de herfst.
Auctus. Automne. Autumn. Otoño.
Het gebed van zo vele talen. En bladeren.

 

 

 


PS.
Kabbelen. Ik ben goed op weg. Schuifelen kan ik al.
Vooral als ik pijn in m'n heupen heb. Dat helpt.
Dan kabbel ik over het land, als ware ik een waggeleend.

Die treuzelt en slentert. En de onthaasting imiteert.
Of het stotteren van een stem. Desnoods het snotteren van een neus.

PS. De herfstvertalingen leende ik van 'Woorden weten alles' - Ludo Permentier.

PS. Liegend konijn van Jozef Deleu. Het inspireert me om in de Delhaize konijnenboutjes te kopen. Benieuwd naar hun lectuur.


 

 180.353

 

31-05-13

De proef op de som

 

Op een ochtend klopte de mier al vroeg op de deur van de eekhoorn.
'Gezellig,' zei de eekhoorn.
'Maar daar kom ik niet voor,' zei de mier.
...
Met zijn mond vol stroop vertelde de mier waarvoor hij
gekomen was.
'We moeten elkaar een tijdje niet zien,' zei hij.
'Waarom niet?' vroeg de eekhoorn verbaasd. Hij vond het juist zo gezellig
als de mier zomaar langskwam. Hij had z'n mond vol met pap
en keek de mier met grote ogen aan.
'Om erachter te komen of we elkaar zullen missen,' zei de mier.
'Missen?'
'Missen. Je weet toch wel wat dat is?'
'Nee,' zei de eekhoorn.
'Missen is iets wat je voelt als het er niet is.'
'Wat voel je dan?'
'Ja, daar gaat het nou om.' (zei de mier).

 Uit 'Misschien wisten zij alles' - pag. 130 - Toon Tellegen

...

Zoals je de zee mist. En de zon.
Maar ook de sneeuw.
En vlokken voor het venster.

Maar dan anders.

Zoals dat meisje met korenblond haar.
En die trage wals. Waarin je wilde wonen.
Met haar.

Maar we kregen armen.
Van iemand anders.
En de kilte. Van verlaten.

Missen doe je nooit alleen.

...

 

PS.

Het was maandag. Hij stond voor de deur en belde aan.
Ik keek door het venster en liet hem binnen.
Hij zette zich neer aan tafel alsof hij een vriend was.

Er lagen jaren tussen zijn laatste bezoek. En maandag.
Maar er zat geen tijd tussen ons. Alsof hij een vriend was.
Wij spraken over de vrouw die Alzheimer heeft
en die hij wekelijks bezoekt.

Dezelfde vrouw die ik dertien jaar geleden gezond
achterliet voor een geheime liefde.

De man van de visite heb ik ooit uit mijn huis
en leven gezet. Hoe hij weer binnenraakte, weet ik niet meer.
Wellicht door haar die alles vergeten is.

Toen hij vertrok ging de dag verder.
Dinsdag. En ik miste hem niet.
Alsof hij geen vriend was.

 

 

169.288
 

12-05-13

Twee meisjes

 


De schrijvers hebben zich zwijgend
weer op tafel gelegd.
De trappen kraken minder
vrolijk.

Opa is de baas
in zijn achtergelaten land.
De bloem rijst
niet tot pannenkoeken.

Geen wentelteefjes bruinend
in de pan.
En chocolademelk dampt nu elders.

O, dierbaar vaderland van herinneringen.

 

 

 

 

 


PS.
Ik las aan de meisjes tweemaal voor uit het dikke boek
van Toon. Het verhaal over 'missen'.
Ik weet dat ze nu iets voelen wat er niet is.

...

'Missen. Je weet toch wel wat dat is?'
'Nee,' zei de eekhoorn.
'Missen is iets wat je voelt als het er niet is.'
'Wat voel je dan?'
'Ja, daar gaat het nou om.' (zei de mier).

Uit 'Misschien wisten zij alles' - pag. 130 - Toon Tellegen

 

Hun vriendjes zijn hier. En zij ginder.

 

 

 

 167167

 

 

 

 

05-07-12

Misschien weten we nog niets

 


Welk is het elementair deeltje
van mijn liefde?

Hoe groot is de massa
van m'n verlangen?
En de zuigkracht
van m'n gemis?

Bestaat er een formule
voor de berekening?

En zo ja,
kan ik dan mijn hunkering,
mijn leemte en leegte meten?

Beheersen en beheren.
En herschikken.

 

 

 

 


Wetenschappers van de CERN
hebben een nooit eerder geïdentificeerd elementair deeltje ontdekt,
vermoedelijk het befaamde Higgs-boson.
Dat deeltje kan verklaren waar de massa van de dingen vandaan komt,
en in bredere zin hoe het universum is ontstaan.

Bron: de redactie. VRT.

 

135.855

 

20-06-12

Navelvaarder

 

En plots
heb ik het gevoel dat er niemand
thuis is.
Op dat wereldwijde web.

Niemand die wacht.
Op een navelstaarder.

We varen alleen
op het witte water.

Naar nergens heen.
Tenzij naar je eigen navel.
De vertrouwde haven.
Zonder de ander.

Dat moeizame anker.

 

 

 ...

 

En toen las ik dit:

Op een ochtend werd de eekhoorn wakker
en was iedereen weg.
...

Aan het eind van de ochtend schreef hij een brief:

Aan iedereen
Waar zijn jullie?
Kom in elk geval terug!
Eekhoorn.

Maar het was windstil en de eekhoorn kon de brief niet versturen.
Hij werd heel verdrietig. Hij dacht aan de olifant, de karper,
de krekel, de mus en vooral aan de mier. Mier, dacht hij, mier...

Ze moeten ergens zijn, dacht hij. Maar toen wist hij niet meer
of dat wel zo zeker was. Misschien waren zij wel nergens.

Hij probeerde te bedenken wat dat betekende ...
Hij bedacht dat hij nu alleen nog maar tegen zichzelf kon praten.
Maar wat kan ik tegen mijzelf zeggen? dacht hij.
Hij kon niets bedenken en hij werd bang dat hij alleen maar
tegen zichzelf kon zwijgen ...

Uit 'Misschien wisten zij alles' - pag. 306
Toon Tellegen.

 

 

134.508

14-06-12

Als het regent in juni

 

 

'Springen,' zei de slak, 'ligt mij niet.'
'Neen, ' zei de schildpad. 'Mij ook niet.
Ik hou meer van wonen.'
'Ik ook,' zei de slak. 'Ik krijg nooit genoeg van wonen.'

Zij zaten naast elkaar aan de rand van de vijver
en keken naar de kikker die probeerde van het ene lelieblad
naar het andere te springen.

Uit 'Misschien wisten zij alles' - pag. 292
Toon Tellegen

...

Als ik ooit terugkom
dan als een slak. Met een huisje op m'n rug.
In de verlaten tuin van een pastorie.

Waar de tijd stilstaat,
sedert de dood
van God. En de pastoor.

Misschien zit er nog wel
een traag nonnetje op een oude bank.
Die in zichzelf gekeerd en biddend
naar de ondergaande zon kijkt.

Absoluut niet gevaarlijk
voor een breekbare slak.
Als ik.

Ik zou me dan terugtrekken
onder een heester. Met rode bessen.
En op vakantie gaan
naar een aardbeienstruikje. In de buurt.

Als het regent in juni.

 

 

 

134.065

22-02-12

Filosofie voor kleine denkers

 

De mier en de eekhoorn stonden op het strand.
Zij waren al dagenlang op reis, en ook al beleefden zij niets,
zij waren zeer tevreden over hun reis.
'Het is een bijzondere reis,' zei de eekhoorn.
De mier knikte.

Uit 'Misschien wisten zij alles' - Toon Tellegen - pag.182

 


Dit sprookje brengt mij in verwarring.
De zon trekt zich traagzaam uit de grond.
Mijn gedachten rusten op het wit van Toon.

Toon lijkt mij een grote filosoof.
Voor kleine denkers.
Zij die het leven nog aanraken.
Met tastbare verlangens.

Op het eerste gezicht voel ik mij perfect thuis
bij de eekhoorn en de mier.
Op weg. Onderweg. En toch thuis.

De rust. De nabije afstand. De verte van dichtbij.
Het vermoeden gestabiliseerd.
In de reductie van het weten: dit is een bijzondere reis.

Un voyageur imaginaire à la plage de la vie.
A perfect day.
Maar hoe zit het dan met mijn verlangen.
Dat blijft kwispelen als een hond die buiten wil.

 

 

 

124.244

 

 

31-01-12

Soms ben ik een muis

 


Weer klapten en juichten de dieren. Nog nooit had de muis een toespraak gehouden. Maar men vermoedde, zonder te weten waarom, dat hij buitengewon kon spreken. De muis maande tot stilte.
'Ik ben bedroefd,' zei hij. Het werd plotseling heel stil op de open plek in het bos waar alle dieren zaten of lagen.
...
'Ik ben bedroefd,' zei de muis nogmaals. 'Want spoedig zal ik uitgesproken zijn. En dan zal alles, ja alles wat ik te zeggen heb nog steeds onuitgesproken zijn.'
...
Er was geen dier dat niet verlangde naar de mooie dingen die nu onuitgesproken bleven. En toch zei iedereen: 'Wat heeft hij mooi gesproken!'
...
Alleen de leeuwerik klapwiekte plotseling omhoog, bleef boven de tafel hangen en riep:'Maar hij heeft niets gezegd! Niets!'
Iedereen zweeg en keek naar de muis. Maar de muis zat onverschillig op een stukje belegen kaas te knabbelen en zei: 'Dat zei ik toch?'
'Dat zei hij toch!' riep iedereen toen en keek woedend omhoog naar de leeuwerik.
...

Uit 'Misschien wisten zij alles' van Toon Tellegen
pag. 160 - 161.


Niets.
Er zijn van die dagen met veel 'niets'.
Dan word ik triest om mezelf. Die diepe leegte.
Dat grote gebrek aan meer dan 'iets'.

En dan tracht ik mezelf te troosten.
Zodat ik kan verder leven met mezelf.
Dan laat ik het licht branden boven tafel.
Ik laat het lege kopje staan.

Om me gezelschap te houden.
Herinnering en hoop. Samen.
Souvenir en verlangen.

Om te vergeten. Wie ik ben.
Vooral 'wie ik zou willen zijn'.
En dat kan van alles.

Ik heb het, bv.
als ik een mooi meisje door de stad zie fietsen.
O, die vrolijke onbezorgdheid.
Die mateloze aandacht. Die plezierige trap.
De zekerheid. Die verte nog.
Geen twijfel te bespeuren.

Maar ik heb het ook
als ik naar de radio luister.
Dat timbre. Die kennis.
Traag opengeplooid. Helder als een vriesochtend.
Die beschikbaarheid. Die voorraadschuur van eruditie.

Of die gebroken oprechtheid.
Die onaanraakbare ontroering.
Die twijfel. Die stilte. De spatie.
Een zin.

En dan voel ik mij een muis.

 

 

122.606

24-01-12

Vanmorgen wist ik het nog niet


De eekhoorn had ik al gelezen.
En de krekel ook.
Er schoten mij nog vijf minuten over
alvorens 'ze' zou bellen.

Maar er waren nog alle wolken.
Om te zien.
De lichte witte. De volle donkere.
En vooral de blauwe vlekken. Tussendoor.

De kraai kraste. En de ekster
schetterde. De bosduif schreed
parmantig over de nok van het dak.
En de koolmeesjes kwetterden. In de acacia.

En ik wist
dat ik nog veel te doen had.

 

 

122.011

10-01-12

Vriend voor altijd



Ik leg Nolens, de dikke dichter,
altijd op de eekhoorn van Toon,
die misschien alles al wist.

Nolens is mijn depositoboek.

Hij ligt met zijn zware gedachten
op de linnen cover van de mier, enz.
om druk uit te oefenen.

Op het licht.

Onder de kaft ligt een plat bosje
'vergeet-mij-nietjes'
die ik van 'haar' kreeg.

Wanneer, weet ik niet meer.
Kwamen ze uit de Alpen of haar tuin?
Ik ben het vergeten.

Mijn kleindochter wil iedere keer
gaan kijken naar dat bewaarde blauw.
En ik probeer dit telkens te verhinderen.

Want op pagina één,
staan erg gevaarlijke woorden:
'Voor mijn beste vriend, voor altijd.'

Leg dat eens uit aan een meisje van negen.

 


 

16-12-11

Zoveel vroeger

 

 

En dat er zoveel weemoed
in een wit blad kan.
Nog steeds ben ik daar verwonderd over.

Sprookjes voor wandelende takken
en eekhoorns met wuivende staarten.
Echter dan échte mensen.

Die veel zeggen
met weinig woorden.

En dan staat er zo'n eerste zin als:

'Weet je,' zei de wandelende tak
tegen de eekhoorn in de top van de beukenboom,
'als je helemaal alleen bent kun je niet goed nadenken.'

En dan hoor ik mezelf denken: fout!
Tot ik de laatste regel lees.

Of een andere eerste zin:

'Het begon te sneeuwen in het bos.'

Kijk, zo'n zin kan ik herlezen
tot het ganse bos ondergesneeuwd is.
Zo lang en zo veel dus.


 


PS.
Dankje Toon Tellegen voor zoveel vroeger
in mijn hoofd.

 

118.171

18-11-11

Salut


 


Nolens ligt nog altijd bij haar.
'Zij heeft geen tijd voor hem', zegt ze.
'Ik ben liever bij jou'.
Liever leef-tijd dan lees-tijd. Speel-tijd.

De hiërarchie van tijd.

Minnaars zijn goedgelovige wezens.
Misschien weten ze wel niet alles.
Of verkiezen ze troost boven geloof.
Ogentroost.

En toch. Sommige woorden
storen mijn oren. 'Salut'.
Tegenwoordig beëindigt ze zo een telefoongesprek.
Vroeger was dat anders. Andere woorden.

Dat saluut was toen conventioneel voor
kennissen en familie. Neutraal.
Een minnaar is van een andere 'orde'.
Van een andere taal.

Het afscheidswoord doet me denken
aan een boek. 'Salut en merci'.
Daarin nam Gerard Walschap afscheid van de Kerk.
En van z'n geliefde God.

Woorden zijn als bomen. Profeten.
Als ze botten wordt het lente.
Als hun bladeren vallen is het herfst.
Gelukkig is ze nog jaloers.

Zopas nog sprak haar lichaam
duidelijke taal. In de Delhaize.
Ik werd minzaam gegroet door
een bevallige, maar grijze historica.

'Tja, van uw leeftijdsgenoten
krijg je nog aandacht. Ge moogt ze hebben.'
Haar mond vertaalde haar heupen.

Een vilaine geruststelling. Merci.

 

115.O25

12-10-11

Nolens heeft het warm

 

29° nog daar in het zuiden.
Maar de wind van de zee
legt koelte over zijn woorden.

En over haar.

Ik bekeer me terug tot Toon Tellegen.
De eekhoorn en de mier.
Mischien wisten zij alles.

Ik weet immers niets.

Geen roman in de ochtend.
Ik wil brevieren.
Mediteren. En dan verkies ik inhoud.

Zeker als die verpakt wordt in schoonheid.

 

 

 

PS. Ik tikte even de tag 'Misschien wisten zij alles' aan. En merk dat ik poëtische kracht verlies. Dàt moet weer ànders.

 

110.313

27-05-11

Weemoed

 


Dit onbestemd gevoel
dat aanleunt bij heimwee, gemis en verlangen,
lijkt mij een soort verdrietige vreugde.

Om deze contradictie
aan te voelen, moet je, vrees ik,
dichter bij de dood dan bij geboorte staan.

Weemoed is weerloos.

Het is ook een warm gevoel.
En dat ervaar ik
telkens ik Toon Tellegen lees.

Bizar, maar als ik, zoals elke ochtend,
door de voren van Nolens ploeg,
in die omgewoelde hersenen, dan komt er geen gevoel
naar boven. Maar inzicht en reflectie.

Herkenning. Die, als het ware, buiten mijzelf ligt.
In Toon verdrink ik.

 

 

91.684

 

12-02-11

Afgelopen

 


'Denk je dat wij ooit afgelopen zijn, Eekhoorn?'
vroeg de mier op een keer.
De eekhoorn keek hem verbaasd aan.
'Nou, zoals een feest afgelopen is,' zei de mier.
'Of een reis.'
De eekhoorn kon zich dat niet voorstellen.
 

...

Uit 'Misschien wisten zij alles' - Pag. 360
Toon Tellegen

 

Misschien
moet er wel heel wat stilte
door je hoofd waaien,

moet je dalen leegte
doortrekken
en bergen hoop achterlaten

om de flinterdunne filosofie
van Toon te doorzien
tot aan de ziel van het bestaan ...

misschien ben ik nog niet genoeg 'afgelopen' ...

 

 

79.684