24-02-18

de boekhouder van het licht

...
Dat zou ik wel willen zijn, de boekhouder van het licht. Tegen de donkerte.

Nooit eerder heb ik winterlicht gefotografeerd en gedateerd. Dat wil iets zeggen: dat ik het wil bewaren voor de toekomst.

Winterlicht schijnt behalve in het verleden nu blijkbaar ook al in de toekomst. Ik kan erop terug- en vooruitkijken. Ik besef nu stilaan wel dat het ook na mijn verdwijning zal schijnen, schitterend en onverschillig over onze afwezigheid.

Winterlicht schijnt, kortom, heen en terug. Of beter, terug en heen. Soms lijkt winterlicht wel de tegengestelde richting tussen die twee op te lossen.

Terug brengt het enkele van de mooiste herinneringen op. In een schijnbaar zelfde licht als nu.
...

Uit: Si & la - Bernard Dewulf - De Standaard - Weekblad - 24 februari 2018

 


Vermits ik bang ben van getallen,
zou ik nooit een betrouwbare boekhouder worden.
Ook niet van het licht.

Neen, dan zou ik liever een schilder zijn.

Met het licht van een sneeuwvlok
in mijn palet.
En haar dwarrelende val

gepenseeld in een kader. Opgelicht.

Dat zou ik dan 
als mijn oeuvre beschouwen.
Die duizendvoudige schittering.

Gedicht in een kader. Geverfd met woorden.

 

 

Zoek : licht

Licht

 

Dit lange ochtendlicht
dat traag door de woonkamer wandelt.
Het ontroert me.

Het is herfstlicht.
Betast de kasten en de muren. Het parket.
Legt zich breed op tafel.

Kijkt naar mijn handen.
En bladert door de dichters.
Telkens anders.

Het bidt, het zalft, het troost.
Begrijpt gerimpelde mensen.

Het is oud licht.

 

31-08-10

 

                  °°°

 

 

 

 

PS.
Ik heb het licht verwaarloosd.
Dat merk ik, wanneer ik het opzoek in mijn teksten.
Ik wist niet meer dat ik zoveel licht verzameld had.

 

 

http://uvi.skynetblogs.be/apps/search/?s=licht

 
uvi.skynetblogs.be
Jongetje kijkt naar buiten. En naar binnen. Tussen gisteren en morgen.

 

 

 345365

 

 

23-02-18

de bladerdeeg van de poëzie



Bernard Dewulf
over Hugo Claus

Van de hinkelaar

Voorpublicatie‘Het ultieme eerbetoon aan Hugo Claus.’ Zo presenteert zich de tentoonstelling Hugo Claus. Con amore vanaf 28 februari in Brussel. Tien jaar na de dood van de totaalkunstenaar staat zijn werk dit voorjaar volop in de schijnwerpers. Bernard Dewulf schrijft in de catalogus over zijn ontmoeting met de dichter. Een fragment.
...

Lang geleden zitten wij, enkele dichters, backstage te wachten tot we op mogen. Tijdens een poëziefestival. Ik ben jong en nog beloftevol. Om me heen allemaal bekende dichters, allemaal gelezen. In hun midden de grootste: Hugo Claus.

Ik zit te sterven.

Dan is het zijn beurt. Allemaal moeten we eerst een trapje op. Claus komt overeind, voert een soort hinkelpasje uit en huppelt dan het trapje op. Zo hoog is de Olympus nu blijkbaar ook weer niet. Daarna luister ik ademloos.

Ik ben het nooit vergeten.

Na de optredens staan wij in de rij om ons honorarium op te halen in een achterafkantoortje. Voor mij staat toevallig Claus. Zijn brede rug.

Tot mijn verwondering draait de rug zich om, geeft me een hand en zegt: ‘Dat hebben we weer gehad’. Ik knik en repliceer: ‘Met mijn honorarium ga ik uw verzamelde gedichten kopen.’ Ik sterf nog meer. Wat bazel ik nu toch? Maar hij antwoordt vriendelijk: ‘Krijgt u dan zo weinig?’

Ik herinner me een grijns, maar misschien was die er niet. Ik antwoord nog immer beloftevol en alert: ‘Nee, zoveel.’ De dichter schiet in een korte schaterlach.

Tot zover de herinnering. Ze is een anekdote en ze is het niet.

Ik wil niet overdrijven, maar die hinkeling, dat moeiteloze trapje en die terloopse entente met die korte lach – nog altijd schemeren ze in het achterhoofd als ik hem lees, herlees of gewoon nog eens doorblader.

Of het nu gaat om De Oostakkerse gedichten, Het graf van Pernath, Nu nog, Gilles, De sporen of noem maar op, al die gelaagde, meerduidige, erudiete meesterwerken waarover al zoveel geleerds is gezegd, ik kan ze niet lezen zonder minstens even te denken: o help, die lichtvoetigheid.
...
Dit is een fragment uit de tentoonstellingscatalogus ‘Hugo Claus. Con amore’ die verschijnt bij uitgeverij Lannoo (240 blz., 29,99 €). De expo in Bozar in Brussel (28 februari-27 mei) toont Claus in al zijn facetten: schrijver, schilder, theatermaker, filmregisseur. Curator is Marc Didden

Citaat uit De Standaard der Letteren - vrijdag, 23 februari 2018

                                                            °°°



Gelaagdheid.
Daar hou ik het meeste van in bladerdeeg.
Een croissant kan mijn ochtend gelukkig maken.

En mij ook.

Le petit-déjeuner hoeft niet erudiet
of meerduidig te zijn.
De lichtheid van een croissant is mij lief.

In de schoonheid van zijn vorm en zijn luchtige smaak.

Voor een ontbijt
zou ik desnoods op vakantie gaan.
Het vreemde bed en de vertrouwde geuren.

Op een ander en toch thuis. Het kan ook andersom.




                                 °°°

 

 

 

 

 

PS.
In de Kunst wordt gelaagdheid geprezen als een conditio sine qua non.
Geen Verf zonder betekenis.
Geen Vers zonder onderlaag.

Ik heb het daar altijd wat moeilijk mee gehad.
Wordt een Lelie mooier, raakt ze meer als ik haar symboolwaarde ken?
Word ik ontroerd door een laagje Grieks, ondergespit tussen de voren van vroeger.

Alsof Kunst een puzzel is. Een geheimschrift. Of een Enigma.
Waarvan de code te kraken valt
door kijker of lezer. Een graadmeter van zijn Kennis en Eruditie.

De comparatieven van stand.
Die uitmaken wie een amateur is of een connaisseur.
Ach, een schrijver is toch maar zo slim als zijn lezer, denk ik dan.

Wat nut heeft het
om in je verzen wat religieuze of profane Oudheid te verbergen,
als de lezer de beeldspraak niet meer spreekt.

Poëzie is nutteloos. En dàt is haar schitterend gebrek.




345287

17-12-17

‘Avec élégance’.

© AF - De Standaard

Grond

Onlangs stond ik voor een groep. Ik sprak er. Omdat ze me dat gevraagd hadden. Het ging goed. Ik stond er. Al vele tientallen keren heb ik dat intussen gedaan in het volwassen leven: voor een groep medemensen staan-en-spreken. Toch stierf ik alweer staande, voor de zoveelste keer. Als vanouds knikten de knieën tegen elkaar als was ik al mijn geraamte. U kent dat wel: zo’n zwaaiend skelet met een koordje eraan. Zo voelt het op zijn ergst.

Na afloop zei een lieve vrouw: wat hebt u dat zo rustig gedaan. Dat zou ze zelf nooit kunnen. Met nog de bibber op het lijf dankte ik haar, maar met zoals altijd de schouders strak gespreid. Van mijn rammelende skelet had ze niets gemerkt.

Zo gaat het nu al het hele leven. Er is het zelfbeeld en, nu ja, het andere beeld. Het ene is geboren met knikkende knieën, het andere overleeft soeverein overeind. Zoals iedereen ben ik schijn en wezen. Zo zijn wij allemaal verdeeld over onszelf: in wie we zijn en wie we schijnen. En soms weten we het even zelf niet meer. Maar de verhoudingen verschillen. Blijkbaar kan ikzelf tegelijk sterven in mezelf en standhouden voor u. Dat heb ik mezelf aangeleerd, al heel vroeg. Nog voor de klas. Anderen kunnen dan weer iets anders.

Zo kan ik nog even doorgaan. Ik ken talrijke mannen, vrouwen – van intiem tot ver – die ik zelden op twijfel, verdeeldheid of gewoon maar enige wankeling heb betrapt. Maar wie weet. Misschien zijn ze nog veel beter dan ik. In hun verschijning.  Sommigen hebben een afgrond, anderen een grond en zelfs een ondergrond.

Sommigen staan, zoals men dat zegt, in het leven. Geheid als heipalen. Anderen vergaan erin. Als drenkelingen. Sommigen drijven er moeiteloos op, anderen verzinken erin.

En altijd, al in korte broek, heb ik het geweten: om er niet in te verzinken zal ik erin moeten staan. En ik heb het gedaan, althans staande voor de mensen. En nooit ben ik daar afgegaan. Maar nog immer knikken de knieën. Het wordt er dus ook niet beter op met de leeftijd. De bloedsomloop slibt dan wel dicht, de afgrond niet. Meer zelfs, het wordt alleen maar erger. Alsof dat ravijntje, dat fontanelletje in de ziel waarmee men geboren is, almaar uitdijt. En zelden lijkt het breder dan wanneer ik voor de mensen sta, of soms gewoon met ze omga, terwijl ik tegelijk zelden steviger schijn dan daar. Maar dan wel na afloop, of na afscheid, naar huis terugkeer als een gapende wonde.

In dat ravijn stromen angst en schaamte, al sinds een soort oertijd, of noem het de moeder, de eerste en de mooiste afgrond die ik herkend heb. Want herkennen doe ik het soms wel. In iemand. Dan lijkt het eigen ravijn ineens wat smaller. Maar even vaak uiteraard zie ik het niet. Zoals in die lieve vrouw toen na afloop misschien. Of misschien herkende zij op haar beurt iets. En waren haar woorden een omhelzing. Afgronden immers worden doodgraag omhelsd, hoe onmogelijk of pathetisch dat ook lijkt. En ze hebben ook hun lichaam hard nodig. Stel u anders voor.

En hun schouders. En de blik, die niets zal verraden, tenzij voor wie lang en goed oplet. Vaak glimlacht die zelfs. En het liefst van al vertoont hij een grijns. De afgrondelijke grijnst graag. Of beter, hij kan niet anders. Het is het gezicht van zijn gaping. Notoire afgrondelijke grijnzer én innemende glimlacher is uiteraard onze zanger Jacques Brel. Hij gaf voor zowat elk optreden over en stond er vervolgens onvergetelijk voor de mensen. Overal in zijn liedjes gapen zijn ravijn, zijn angst, zijn schaamte. Maar ook zijn trots. O de trots van de afgrondelijke.

Kort voor zijn dood heeft hij ze nog eens verwoord, zijn wonde. Onder de duidelijke titel ‘Avec élégance’. Anders gezegd: ondanks alles bestaan én gaan in stijl. Jammer dat ik hem hier niet luid kan laten zingen, zo net voor alweer de holle, valse dagen van ‘Jingle Bells’. Ik citeer hem dan maar, vanzelfsprekend in zijn schitterende Frans. Daarin grijnst hij het mooist en het pijnlijkst. Over onze angst, onze lafheid, onze wanhoop.

 

Savoir qu’on a toujours eu peur

Savoir son poids de lâcheté

Savoir ne plus se pardonner

Mais écouter son cœur qui danse

Etre désespéré, mais avec espérance.

Bernard Dewulf
De Standaard - Het weekblad - 17 december 2017

                                                    °°°

 

Eerst was er het beeld.
Toen ontstonden er woorden in mijn hoofd.
Ze wankelden. Ze hielden zich niet staande.

Toen kwamen de zinnen van de schrijver.

Ze kenden elkaar niet. Beeld en woord.
Hadden elkaar nooit ontmoet.
Maar ik bracht ze samen.

Hier.

En plots, gewoon door hun nabijheid,
werden ze anders.
Ze vervreemdden van de schrijver.

Hij schreef wat hij niet had gewild.

Lees maar, er staat niet wat er staat,
riep hij nog. Wanhopig. In dezelfde Krant.
Amper enkele pagina's van mekaar verwijderd.

Maar zijn scripta waren autoritair en autonoom geworden.

En hij stond machteloos.
Voor de lezer.
Die bevangen door het beeld, zijn woorden aankleedde.

Met het bloot dat hen had bedekt.






PS.
Ik verontschuldig mij bij Bernard Dewulf.
Omdat ik hem een tekst laat schrijven die hij niet geschreven heeft.
Mea maxima culpa, lezer,
nooit kan u nog de tekst van de schrijver lezen. Zoals hij er staat.

Want het beeld erboven herschreef de woorden.
Anders dan in hun naakte staat.

Ik heb sommige woorden in het vet aangedikt. Zo markeren ze nog meer het beeld. En de zin.
Wederzijds.

 339148

 

09-12-17

gewapende scherven


Een gesneuvelde winkelruit in Brussel. ID/ photo agency

Glas

Winkelruiten sneuvelen altijd, alsof het soldaten zijn. Ook nu weer, tijdens de rellen in Brussel, vonden relschoppers een vijand in etalages, die dus moesten ‘sneuvelen’.

Glas dat breekt, het heeft iets. Tegenwoordig valt glas steeds minder in scherven. Het heet gewapend, gehard of gelaagd. Tegen de vijand. Het kraakt, barst of verkruimelt. Dan vormt het vaak een delicaat web van nog net samenhangende scherfjes. Die toestand tussen verdeeld en toch nog heel: ik kijk er graag naar – al denkt de winkelier daar allicht anders over.

De kranten stonden, kortom, weer even vol gesneuvelde ruiten, als de doorzichtige getuigen van ons geweld. En als zo vaak kon ik er op twee manieren naar kijken. Ik zag zowel de schade als de schoonheid. Er is het proza van gebroken glas en de poëzie ervan. Het ene is voor de verzekeraar, het andere voor het oog. Soms vallen proza en poëzie samen.
...
Bernard Dewulf
De Standaard - Het weekblad - 9 december 2017



                                               °°°




Mijn Muze is wispelturig.
Ze komt en gaat.
Dan zoek ik haar. Wanhopig.

In de Krant. Op de radio. Zelfs tussen de lakens.

Het wit van papier.
En een hulpeloos alphabet.
Meer adem tussen de regels.

Dan betekenis.

Gekreukelde zinnen. Gesneuvelde ruiten.
Ze lijken op mekaar.
Ondoorzichtig.

De ene hersteld door een glazenmaker. De andere door een liefdevolle lezer.





PS.
Alsof het herfst is. In mijn alphabet.
Kale woorden.
Zinnen zonder inspiratie.

De gloed van de zomer is verdwenen.
Slechts punten en komma's overleven.
De grammatica als een skelet.

Zielloos zonder begeestering.

PS.
Papa,zei het jongetje, kijk er ligt glas op het water.
Als dat geen poëzie is.






338322

 

18-11-17

de held die ik nooit ben geworden

Afbeeldingsresultaat voor meisje op fiets

Ring

Toch wel, ik weet het nog goed. Met van ergens een frank draaide ik een blinkende ring uit de sjiekenbak. Ik stak hem diep in de zak van de korte broek, wachtte tot Zij zou voorbijfietsen in de zijstraat en gooide hem ruim op tijd voor haar dansende voorband. Hij tingelde dof op de kasseien.

Daarna vluchtte ik weg, helemaal de held die ik nooit ben geworden.

We schrijven bijna een halve eeuw geleden, in het Eden van het eerste. Ik heb nooit geweten of ze hem heeft ontvangen. Waarschijnlijk ligt hij verpletterd onder enkele lagen asfalt.

Het was, voor zover ik me herinner, mijn prilste romantische gebaar. Ik was verliefd op het andere geslacht, maar besefte het nog niet. Ik was besmet, maar wist nog niet waardoor. Ik werd vervoerd, maar had geen idee niet waarheen. Evenmin kon ik voorzien dat dit levenslang zou duren.
...
Bernard Dewulf
De Standaard - Het weekblad - 18 november 2017

 

In die tijd
toen wij nog in korte broek
naar de Retorica reden,

was ik een weke held.

Uren zat ik langs de grachtkant
in de hoop
dat Zij voorbij zou rijden.

Ik zou niets zeggen.

Alleen maar kijken.
En dan weer terug naar huis fietsen.
In die tijd dus

waren helden stille aanbidders.


Zwijgend verliefd.
En handen in de broekzakken.
De tijden zijn veranderd. Blijkbaar.

De helden ook.




PS.
Niet alleen de mensen zijn veranderd. De woorden ook.
Sommige stierven.
Door gebrek aan belangstelling. Of beoefenaars.

Bijvoorbeeld: schroom of schuchterheid. Pudeur of politesse de coeur.

Geen boekjes meer over etiquette in de school.
Geen tijd en geen zin meer.
Voor hoffelijkheid. Ook al lijkt die soms op hypocrisie.

Als ik iets mis in deze tijd dan is het wel 'le savoir-vivre'.
En een rode blos op de wangen.




336301

15-10-17

de grens van het verlangen

...
Ons ingeboren verlangen naar de ander kan leiden naar de hemel en naar de hel. Talloos zijn de levens, de huwelijken, zelfs de vriendschappen waarin het verlangen naar de ander ons vernietigt.

Maar de grondtoon in mijn verlangen naar de ander is toch de onkenbaarheid van de ander. Nooit zal ik de vriend, de vrouw, niet eens mijn bloedeigen kind werkelijk ‘kennen’, laat staan dat ik er ooit mee zal samenvallen.

Zoals gezegd, ik beleef dat als zowat het meest bestendige verlangen in de dagen. Het uit zich even geestelijk als lichamelijk. Elke omarming is in gedachten een vereniging, maar in de armen zelf een mooie, moedige of armoedige poging. Toch beschouw ik het niet als een tragische kwestie.

Het zou, alweer, geen leven zijn.

Meer zelfs, met de jaren heb ik er de genade en de schoonheid van ingezien. Heb ik allengs begrepen dat net daarin, in die eeuwige nadering, ons menselijkste onvermogen en onze uiterste samenkomst schuilen. Dat de ander een grens is waarlangs wij verlangen naar de overgang, die nooit zal plaatsvinden. Altijd, tussen alles en iedereen, gaapt een niemandsland.
...
Het lijkt me de even uitzichtloze als natuurlijke beweging die elk wezenlijk verlangen bezielt. Wij komen nooit verder dan onszelf, terwijl net wijzelf niets liever zouden willen. Niet omdat we dat per se zelf willen, maar omdat we gewild worden.

Na die vaststelling rijst de onontkoombare vraag: hoe wordt er naar mij verlangd? Anders gezegd, in welke mate ben ik zelf het voorwerp van al dat verlangen dat ik belijd jegens de ander? Hoe word ik als doel van andermans verlangen, begeerte of hoop beschouwd?

Het is geen onbelangrijke vraag. Ze kan genadeloos zijn.

Niet alleen is ze een romantische verzuchting naar de wederkerigheid van het verlangen. Dat is een bekend thema in de hoofse minne- en andere lyriek. Of in menige hedendaagse ballad.

Vooral keert ze de beweging om. Het verlangen dat als een boemerang terugkomt. Wie begeert, wil zelf ook begeerd worden – of niet? Wie zelf verlangt, zal het zich toch ooit weleens afvragen: hoe en hoezeer word ik zelf verlangd?
...
En al even natuurlijk, zo heb ik het met de jaren leren aanvaarden, word ik niet begeerd wanneer ik dat wel zou willen. Zowel uit de verte als van nabij.

Concreter: verlangen de borsten naar mijn handen zoals mijn handen naar hen? Of ben ik meer verlanger dan verlangde? Meer zender dan ontvanger? Meer begerend dan begeerd? Dat geschil is zo oud als de straat. Het is de weerloosheid die elk verlangen noodzakelijk in zich draagt.

Onvermijdelijk wordt de ene mens meer ‘aangeraakt door begeerte’ dan de andere, in de breedste zin van dat woord. En ikzelf adem nu eenmaal vooral aan de kant van de begeerders. Dat heeft voor- en nadelen.

Wie hoopt dat zijn verlangen als in een spiegel vanzelf teruggekaatst wordt, staat weleens voor een lege spiegel.
En daar ontstaat een nieuw verlangen, misschien wel het vreemdste van alle. Het kan even afgrondelijk als vluchtig zijn: het verlangen naar onszelf.

Uit het: Het wankele evenwicht van het verlangen - Essay van Bernard Dewulf
De Standaard - Het weekblad - 14 oktober 2017

                                                                   

                                                                     °°°


 

 Het verloren verlangen

Zal ik haar neerschrijven
als een dwarrelende vlok
of als een dartele gedachte

zal ik haar taille omcirkelen
met de accuratesse
van een landmeter
die zijn verlangen afstapt

of ben ik een biddende sperwer
boven het gemis
en de breedte van haar hunkering

terwijl ik me verlies in de vertwijfeling.

 

 

Lacan zegt over de mens en zijn verlangen:
"le désir de l'homme, c'est le désir de l'autre. "


Vrij vertaald:
"de mens verlangt verlangd te worden door de andere'.
Gehoord in 'Het voordeel van de twijfel'.

 

 

 

PS.
Moe word ik van dat verlangen. Wanneer stopt dat eindelijk eens.
Ik vrees enkel aan de rand van dat gat of
wanneer ik een stofje word dat nog even dwarrelt boven het gras.


In mijn dromen word ik (bijna) elke nacht geconfronteerd met mijn machteloosheid.
Mijn (bijna) voorbije leven. Had het enige zin?


332606

30-09-17

jij zegt het

Ik ben zoals iedereen niemand minder en vooral niemand meer dan ik. Ik ben mijn enige, eenzame, hulpeloze en onvervreemdbare mogelijkheid in de krappe kantlijn naast al de eindeloze onmogelijkheden die ik dus niet ben.
...
Het is zowat de verhouding van een mier tot de melkweg. Van een glimworm tot het donkere heelal. Ik ben me er dagelijks van bewust, de schaal van mijn nietigheid. De lucifer van mijn bestaan. De vonk, de steekvlam, de waakvlam van mijn voorbijgaan. En meestal kan ik daar best mee leven.

...
Zelden wil iemand het toegeven: ik kan het niet meer. Ik ben opgebrand. Uitgevlamd. Zelfs een dansende kaarsvlam kan ik niet meer zijn. Ik ben nu even alleen nog mijn onmogelijkheden.

...
Uiteindelijk eindigt dat denken zowat altijd bij dezelfde vraag, in de volgende gang van de doolhof of het spiegelpaleis: wie denken we dat we zijn? Ik kan me daar dagelijks over verbazen. Onze pretenties, onze ijdelheden, onze hoogmoed. Sterker zelfs, zowat dagelijks kan er ik heel even razend om worden. Vooral op mezelf.

Want tegelijk: wie verbeeld ik me eigenlijk dat ík ben – dat ik die vraag mag stellen aan u, mijn levendigste onmogelijkheden om me heen?

Uit "Si & la" - Bernard Dewulf
De Standaard - Weekblad - zaterdag 30 september 2017

                                                                      °°°

 

 

Zeg mij niet
wie ik ben
maar steek mij aan

een haperende kaars

in jouw bestaan
een glimwoordje maar
bij valavond

als je niet in slaap geraakt

en blaas dan
even over mijn sluimerend vuur
zodat ik een knetterende genster word

misschien zelfs een ster. Une nuit étoilée.

Afbeeldingsresultaat voor knetterend haardvuur

Immovlam

 

PS.
Misschien is het wel de herfst.
De tijd, de stad of de mensen.
Wellicht ligt het gewoon bij mezelf.

Ik durf amper nog in de spiegel te kijken.
Soms doe ik het stiekem en vluchtig.
In een vitrine. Die ik rakelings passeer.

En wie zie ik dan? ik durf het mij niet te vertellen.



331112

24-09-17

het geklapwiek in de spiegel


Honderden vrienden, of noem ze vogels, heb ik met de jaren – op hun verzoek – toegevoegd, als ornitholoog van ons hopeloos geklapwiek. En zowat allemaal bleken we ineens pauwen te zijn in het diepst van onze gedachten. Dagelijks de staart spreidend en krijsend om mijn aandacht. En de uwe. En de onze. En uiteindelijk die van zichzelf.

Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is de mooiste van Facebookland?

Anders gezegd, Facebook heeft me intussen meer geleerd over de medemens dan ik ooit had kunnen vermoeden. Zelfs na het lezen van de somberste misantropen of dagelijks wezenloos turend naar ons journaal.

Nooit, dat kan niemand ontkennen, hebben wij hier op aarde een reusachtiger spiegelpaleis voor onszelf opgericht. Waarin dagelijks en wereldwijd het blootste in ons wordt blootgelegd: onze chronische zelfliefde.

Wij stikken in onze ikken. We sterven starend in onze eigen spiegels. Wij maken ons dagelijks iets wijs in het paradijs van onze flits in de tijd.

Al jaren daarom ga ik er dagelijks, elke ochtend, even naar kijken. gewoon om onder de mensen te zijn. Als ochtendgymnastiek. Als vogelaar onder de vogels.

En nog altijd weet ik niet wat ik zie.

 

Uit "Si & la" - Bernard Dewulf
De Standaard - Weekblad - zaterdag 24 september 2017

 

                                                       °°°

 

Geen spiegel meer voor mij.
Ik zit vol craquelé.
De puistjes van een oude lezer.

Die zich neerlegt op het wit.

Dat laken van papier.
Waarin hij de kreukels telt.
Uit zijn verdwenen leven.

En de vegen die hij achterliet.

 

PS.
Facebook. Het Land van de Glimlach.
En de blinkende duimen.
Waar vriendschap voor het venster hangt. Als gordijnen.

Ik heb er geleerd
hoe eenzaam het ik kan zijn. Tussen al die vrienden.
Achter de luiken.

Waar je enkel geduld wordt om te liken. Likken.

 

https://www.youtube.com/watch?v=Pa58TdbRGJ4

 
 
www.youtube.com
"Three Superstars" Live at the Waldbuhne

 




330566

 

 

02-09-17

binnen handbereik

...

En nu ik erover nadacht, sprak het ineens vanzelf. Waarmee communiceren wij meer dan met onze ogen en onze handen? Samen met onze stem.

De drievuldigheid van onze communicatie, van pragmatisch tot erotisch: ogen, handen, stem. In wisselende volgorde, afhankelijk van de gevoeligheden van de ontvanger.

Ideaal is wanneer ze alle drie volmaakt samenkomen, als in een gelijkzijdige driehoek: stem, blik en handen. Dan ontstaan weleens de gloeiendste herinneringen.

Hoeveel doen wij niet met onze handen. In de eerste plaats wat de ogen en de stem niet letterlijk kunnen: aanraken.

Handen wrijven stoffen los uit onze huid, en dieper. Zelfs een handdruk roept hormonen in ons op. En vervolgens verbondenheid, vertrouwen, saamhorigheid. Of vijandschap. Of misprijzen.

In de handdruk is het hele drama van onze scheiding duidelijk. Evengoed kunnen wij elkaar ‘de hand reiken’ of niet.

Dat is een cruciaal moment.

Soms blijft het een ‘reiken’. In een hand die we geven, kan een ontmoeting weifelen, in een lichaam een overgave aarzelen.

Uit "Si & la" - Bernard Dewulf
De Standaard - Weekblad - zaterdag 2 september 2017


                                                              °°°

Afbeeldingsresultaat voor mensen die handen vasthouden

Soulwoman
- Internet

 

 

 Handen

 

Ik zie ze aarzelen. Ze hebben mijn karakter.
Na zovele jaren
lijken ze volledig op mij.

Ze grijpen niet.

Ook niet naar een onbereikbaar meisje.
Ze berusten eerder.
Bidden soms. In de verte.

Van hun verlangen. Hun achtergelaten gemis.

Ze praten nog.
Nu en dan.
Maar minder heftig dan vroeger. Toen ze nog onstuimig spraken.

Vandaag zwijgen ze eerder. Hardop in hun herinnering.




 PS.
Gisteren nog wees ik Mrs. Jones op de hand van een man die de hand van z'n vrouw vasthield.
Slapjes.
Ik zou kunnen denken: routineus. Zonder vuur of overtuiging.
En zij liet zich gewoon inpalmen. Achteloos.

Bij ieder beeld (tv - foto) kijk ik naar de handen. Vooral hun armen.
Soms maken ze van de hand een vuist. Op een rode meeting.
Zelfs daar heeft de vuist haar kracht verloren.

Ze twijfelt meer dan dat ze een sterke overtuiging uitstraalt.
Beter dan die gebrekkelijke imitatie, zouden ze een rode roos
in hun hand houden.

De meeste mensen op een podium, voor de microfoon,
worden gehinderd door hun armen. En handen.
Ze weten niet hoe ze hen kwijtgeraken.

Soms brengt een broekzak redding. Maar dan pas lijken ze hulpeloos.


328423

12-08-17

te

Uiteindelijk verlaat ik de kamer. Ik heb genoeg gezien.

Ik heb gezien dat zowat alles er nog is behalve zij. Terwijl zij nu het enige is wat er te zien was.

En daar, zo besef ik ten slotte, begint de herinnering: waar de kamer, het licht, de muren, de domweg lopende uren en de achteloos opgehangen kleren overblijven. Als stille getuigen.

Zolang aanwezigheid vanzelf spreekt, kan ze zelfs afwezig zijn. ‘O ze is in haar kamer’, denkt men dan niet eens. Maar omgekeerd kan afwezigheid verschrikkelijk aanwezig zijn.

En dan wordt een dagelijkse kamer een wachtkamer.


Uit "Si & la" - Bernard Dewulf
De Standaard - Weekblad - zaterdag 12 augustus 2017


                                                               °°°

 

Mijn dagelijkse leven.
Is het meer geweest dan een wachtkamer?
Van gisteren naar morgen. Van hier naar ginder.

Ik, een 'Van Nu en Strakser'.

Te bang voor wat mogelijk is.
Te lui of te laf.
Te klein of te traag.

Misschien waren er wel te veel "te's" in mijn leven.

Te mooi om waar te zijn.
Te dik of te dun.
Nu is het te laat. Er rest mij nog één te.

In tevreden.


 

 

 

PS.
Uiteindelijk verlaat ik de kamer. Ik heb genoeg gezien. - Bernard Dewulf -
Nog elke dag heb ik haar niet genoeg gezien. Ik kan haar niet verlaten.

PS.
Van Nu en Straks.
https://nl.wikipedia.org/wiki/Van_Nu_en_Straks

326424

09-08-17

et Dieu créa la femme

 

Niemand is gemaakt voor iemand. Soms
raken wij verstrikt in het lamento van een tegenziel.

En is niet, zei je, elk moment bereid
tot de fabels van het vel, het sprookje van de oneindigheid?

Uit 'Blauwziek' - pag. 24 - Dido's klacht - Bernard Dewulf

 

 

Geen groter Kunstenaar dan God.
Hij die aan Eva het leven gaf.
En zo de Schoonheid schiep. Lust & liefde.

Binnen de contouren van een lichaam.


Geen beeld zo fragiel
als een dame die zich voorbereidt.
Haar been langoureus lang bekleedt.

Met verlangen.

Opdat later een galante heer
haar zou ontrafelen.
Tot aan haar gemis.

En zij hem daar zou ontvangen.

 

 

PS.
Laat dit een Ode zijn aan God.
En alle Schepselen.
Verzameld in een vrouw.

 

 

https://www.youtube.com/watch?v=m3NZambG7aM

 
 
www.youtube.com
Vide Cor Meum è una canzone composta da Patrick Cassidy basato sulla Vita Nuova di Dante Alighieri, in particolare sul sonetto A ciascun'alma Presa, nel capitolo 3 ...

 

29-07-17

Goed nieuws voor oudere vrouwen

O wat zie ik ze graag.

Nergens in zijn arrest zegt het Hof wat nu precies ‘oudere vrouwen’ zijn. Dat begrijp ik best. Leg het maar eens uit in een vonnis. Alsof ze veroordeeld zijn.

Terwijl ik ze dagelijks op vrije voeten tegenkom. Sommigen als een woestijn, anderen als een oase. De enen als een augurk, de anderen als een libel over hun stille water.

Ik leef ermee, ik kijk ernaar, ik praat ermee, ik begeer, ik negeer, ik herken, ik ontken. Ik vervloek ze en ik bewonder ze.

Maar wat zie ik ze graag.

Er slijt, er schuurt en vergaat van alles aan ze. Van de strakke dijen tot de slappe bovenarmen.

Zij leven tussen aanval, verdediging, winst en verlies.

Maar intussen kunnen ze opgloeien zoals ze nooit eerder hebben gesmeuld. In de sintels van de voorbije jaren. In de stille brand van hun trots.

Het zal niet heel lang meer duren of de jaren geven hen allengs op. Dat weten wij beiden.

Hoewel.

Uit "Si & la" - Bernard Dewulf
De Standaard - Weekblad - zaterdag 29 juli 2017

                                                               ...

 

Maar ondertussen zitten ze op een terrasje.
Kruisen de Grote Markt gevaarlijk
op hun al te hoge hakken.

Libellen die over het water wandelen.

Ze maken babyboomers wakker.
Aan de Baywatch van hun laatste oevers.
Nog éénmaal vurig verlangen.

Naar wat het leven hen ontzegde.

En kirren als gepensioneerde tortels.
Met acne op hun zinnen.
En reumatiek in hun avances.

O, God, laat mij nog even smeulen als een onkuise rakker.

 

PS.
Wat voorafging. Een Portugese vrouw in de vijftig laat een noodzakelijke operatie aan haar vagina uitvoeren. Dat gaat mis. Gevolg: alle lust verlaat de vrouw. Van amper 50. In de volte van haar bestaan.

Ze krijgt een financiële compensatie. Maar in beroep, door het falende ziekenhuis, wordt die teruggebracht. Argument van de rechtvaardige rechters (m/v): de vrouw had al twee kinderen en was al op middelbare leeftijd – waardoor seks dus ‘minder relevant en belangrijk’ was.
...
Seks is ook voor oudere vrouwen belangrijk, oordeelt Europees Mensenrechtenhof.’
Uit Si & la.

325023

 

09-07-17

de balconette van een lege zomer

Maar elk jaar opnieuw dus is het zover. Al vanaf april, die wrede maand, begin ik allengs de zomer te vrezen. Terwijl anderen hun wandelschoenen, balconettes of all-in vouchers al klaarleggen.
...
Om maar te zeggen, de zomer is eigenlijk geen seizoen. Toch niet zoals de andere drie, waarin de tijd gewoon volgens afspraak zijn gang gaat. Van herfst naar lente. Van aster naar krokus. Van chrysant naar sering. Onder de stilte van de sneeuw, het snelle vallen van de avond. En vooral: de duidelijkheid van de tijd.

In de zomer kan ineens alles.

De tijd lijkt er even oeverloos als soms zelfs afwezig. Iedereen doet maar op. Nooit zijn we tegelijk sterfelijker en onsterfelijker dan in de zomer.

We kunnen er schaamteloos verdwijnen naar de meest schaamteloze plekken. In onze lelijkste lichamen. En hun bijbehorende microkini’s, joggings of bermuda’s.

Nooit zie ik ons vaker tegelijk feesten en vervallen. Gelijk jubelen en bederven. Gelijk schitteren en stinken.

En dat noemen we dan vakantie.

En gelijk hebben we. Vakantie stamt af van ‘vacant’ en vacant betekent leeg. En in de leegte kan dus alles.

In die leegte ontbinden wij.

Uit: Si & la - 8 juli 2017  | Bernard Dewulf - De Standaard

                                                                       ...

 

Jawel, vooral in de zomer lijk ik wel een wandelend
anachronisme.
Een bourgeois uit het Interbellum.

Ik lees het in hun ogen.

Een mengeling van mededogen en ingehouden weerzin.

Hoe durf ik hun grenzeloos land betreden.
Van wijd open hemd tot aan de behaarde borst
en de nonchalance van hun blanke benen. In een korte broek gestoken.

Ik, uitgedost als de voltooid verleden tijd. Een feeërieke clown.

Die de dresscode weigert te respecteren.
Op de publieke plekken,
overgoten met zon. En hedendaagse hitte.

Een verwaande uitzondering. Zonderling.


 

PS.
Zelfs nu de ochtend de markt nog koel houdt,
zomert het volop. Tussen de prêt-à-porter.
In alle maten en gewichten.

O, God, geef mij één balconette om mij op neer te leggen.
En ik vergeef de lege zomer
zijn blote smaak en baldadige verkleding.

 

17-06-17

de grens van het verlangen

Toch is het vanzelf gegaan, althans in de herinnering van mijn lichaam. Langzaam, met de jaren van reiken en wijken, heb ik het wel begrepen. Dat er in wezen niets te begrijpen valt.

En dat ik precies dat moest proberen te begrijpen. In het verlangen naar de ander.  Die ik tegelijk nooit zou vinden. Maar blijkbaar wel voortdurend wil zoeken.

Kortom, met of zonder internet in mijn zak, met of zonder sexting, fossiel of zakdoek in mijn broek: waarom leren wij elkaar niet, desnoods al op 13, nog in korte broek en met halve borstjes, wanneer we nog niet eens weten hoe een vrouw misschien klaarkomt of een man gewoon wil thuiskomen, dat we elkaar nooit zullen vinden, maar wel schitterend kunnen naderen?

Dat net daarin, in die eeuwige nadering, onze menselijkste schoonheid en onze uiterste samenkomst schuilen?

Dat niet ‘het ding’ zelf, maar al de pogingen, bewegingen en gissingen eromheen – dat net zíj onze hele zinnelijkheid, onze hele erotiek, onze hele vereniging zijn?

Waarom blijft het zo moeilijk om dat te begrijpen? Dat de ander een grens is waarlangs wij verlangen naar de overgang, die nooit zal plaatsvinden.

Uit Si & La - Bernard Dewulf
Het Weekblad van De Standaard - 17 juni 2017

 

De woorden hierboven had ikzelf willen schrijven.
Maar dan anders. Over verf. En over het lichaam.
En zijn t-rillingen. Bij het naderen.

Over kijken en begrijpen. Zonder te verstaan.

Maar mijn handen zijn geen verfborstels.
Doch soms lijken ze wel suppoosten.

Als ze heel teder zijn. Dan dragen ze haar gemis.

Maar neen, in een Museum... kan ik niet kijken.
Zoals een ander.
Met de kennis van hun ogen geprangd
onder hun wetenschappelijke wimpers.

Ik kijk met mijn kloppend orgaan dat mij in leven houdt.

En als dat niet overslaat dan heb ik niets gezien. Noch minder
begrepen.
Ik zie niet in termen van strepen of vegen,

van dichtbij of ver weg. Vooral niet binnen het kader van namen.

Maar van beelden en verbeelding.
Hoe vullen ze mekaar aan.
Hoe laten ze mekaar vrij.

'Hoe' is mijn bril. En ontroering mijn vergezicht.

Tracht deze woorden niet te vatten, lezer-es,
kijk ernaar als naar een doek.
Knijp je ogen dicht, enerveer desnoods een toevallige suppoost.

En lees vooral wat er niet staat.

bernard dewulf

PS.
De stilte van het licht van Joost Zwagerman is bijna verdwenen. Nog enkele pagina's
en dan is het weer donker. In de taal van de leegte.

Joost Zwagerman schrijft, bijzonder en helder, moeilijk en onbegrijpbaar,
maar zo leesbaar boeiend.

Ik geraak niet tot aan zijn hielen. Zijn kennis overschaduwt mij.
Maar ik hou van de koelte onder het lover van zijn woorden.

Ik begrijp de stilte niet en al evenmin het licht. Maar soms nader ik de ontroering.
Daar ligt de grens van mijn verlangen.


"Langzaam, met de jaren van reiken en wijken, heb ik het wel begrepen. Dat er in wezen niets te begrijpen valt."
Bernard Dewulf.

 

https://youtu.be/0_YDrJoUe8s

 
youtu.be
Subscribe for our latest videos: http://mo.ma/subscribe Explore our collection online: http://mo.ma/art Plan your visit in-person: http://mo.ma/visit Filmed ...



320666

 

10-06-17

Prêt-À-Aimer

En terwijl ik ons zo verenigd zie zitten, in de verlopende avond, bijna kan raden waarover het hoofd van de tafel het heeft met zijn buur, bijna kan voorspellen hoe zij nu wat weifelend, na glazen, haar haar zal schikken en hij aan zijn moppen zal beginnen, schiet me een zin te binnen die ik onlangs las en heb onthouden. Hij is van een filosoof en luidt:
‘Wij vieren herhalingen’. Ik herhaal: ‘Wij vieren herhalingen’.

De zin lijkt me precies te zeggen waar wij mee bezig zijn.

De filosoof voegt er ook nog licht venijnig aan toe: ‘Hoe feestelijk kun je het krijgen in een bestaan waarin alles wat opkomt ook telkens weer ondergaat?

Uit Si & La - Bernard Dewulf
Het Weekblad van De Standaard - 10 juni 2017

Uit een film van Sohrab Shahid Saless 

 

 

Ben ik wel klaar voor de dag. En straks.
Prêt-à-Aimer.
Kan ik nog liefde slurpen uit de ochtend.

Die zich herhaalt. Alsof hij onuitputtelijk is.

En hoe overleeft liefde
de herhaling.
Van de seizoenen.

Is er nog tijd om te zoenen.

 

 



PS.

Laat ik eindigen met die vraag. Iedereen heeft immers een ander
antwoord.
Iedereen herhaalt zich anders.

Door soms te aarzelen, te stotteren. Te ontwijken, te wijken. Te mijden.

Er zijn vele katalysatoren.
Gladiatoren die ons gemis bestrijden. Of ons verlangen verwonden.
Dis-moi...

PS.
Er stonden meerdere foto's in het Weekblad die mij raakten. Ontroerden.
Ik kon er niet van wegkijken.
Hoeveel moedeloze herhaling zit er in het beeld hierboven.

Waar eindigt het? Wanneer? En hoe?

 

PS.
Ik leende de titel van mijn dagboek uit dit korte bericht:
Om haar multiculturele identiteit te onderzoeken, dook Aïcha Cissé voor de voorstelling
Dis-moi wie ik ben in haar familieleven. In haar nieuwe stuk Prêt-à-Aimer graaft de film- en theatermaakster met evenveel genoegen in haar liefdesleven. Het resultaat is een semi-autobiografische monoloog over het mysterie dat we liefde noemen.
Uit De Standaard
...

En dan vind ik dit:

Retie, vrijdag 2 november 1990

Omdat er schijnbaar nooit iets ophefmakends in je leven gebeurt
en je dagen bestaan uit dagdromen en herinneringen, grijpt ieder
vandaag terug naar de dagdromen en herinneringen van gisteren.
En hoe dichter het definitieve 'morgen' jou nadert, hoe meer je leven
de vormen zal hebben aangenomen van herinneringen aan herinneringen
en van dagdromen over dagdromen, en hoe dichter, dikker en ondoorzichtiger
de massa onbestaan zal zijn, die je scheidt van het enige
werkelijk  beslissende en ophefmakende feit van je bestaan: je geboorte.
En heel dat proces is dan wat dichters en filosofen durven te noemen:
de ver-wezen-lijking, de essentialisering!

Uit 'Dagboek van een dichter' - Leonard Nolens.

 


319827

27-05-17

van iemand tot niemand

bernard dewulf
TV Tropes

En zo dus krimp ik, terwijl ik nu uit de vrouw kijk naar haar Bruce – in wiens achternaam niet toevallig ‘prins’ klinkt – langzaam ineen van mijn kamerbrede schouders tot een lullig piemeltje.

Aan het einde van de documentaire ben ik niemand meer. Maar alleen de woonkamer ziet het.

Ik bedoel het haast letterlijk: ik ben zo iemand die in een kwestie van seconden van iemand tot niemand kan vergruizelen. In een fractie kan verschrompelen van een misschien verdienstelijk bestaan tot zijn nietigheid. Van zijn hoogmoed tot zijn val. Van zijn hier tot zijn nergens. Van zijn ooit in enkele seconden tot zijn nooit.

Ongetwijfeld hebben psychiaters daar een woord voor. De dieploodmens, ik zeg maar wat.

Want dat is het, ik ben mijn eigen dieplood. Iets bedient het in mijn innerlijke ravijn. Als een jojo.

En nooit heb ik het anders geweten. Ik kon al sterven in de kleuterklas. En hoe warm ik ook ben opgevoed, er is iets tevergeefs aan. Men is zijn eigen dieplood of men is het niet.

Uit Het Weekblad van De Standaard - Si & la - Bernard Dewulf
27 mei 2017

                                              ...

De buren slapen nog. De mussen niet.
De hemel is al blauw. De lucht nog fris.
Ik lees mijn eigen nietigheid. In de Krant.

Geschreven door een ander.

Hij kent me niet. Hij kent me beter
dan ik soms wel wil.
Hij schrijft mij op.

Alsof ik in zijn hersenen woon.


Hij etaleert mijn onbenulligheid.
Mijn oud gemis, mijn vers verlangen.
Zonder dat hij mijn gedachten hoort.

Hij ontbloot mij zonder schroom.


Mijn krimpgedrag. Ik zeg maar wat.
Zoals een te heet gekookte was. Mijn rimpels.
Die ik al meedraag.
Van toen ik nog een baby was.

Morgen ben ik een ander.

                     ...



Straks ben ik een ander

Als zij mijn naam zingt.
Als geen ander.
Met een diminutiefje.

Dan klink ik als een klok.
Een deurbel.
Of een deuntje.

Een beetje ouderwets.
Een herfstblad in de lente.
Bijna klaar om van de boom te vallen.

Maar zolang zij zingt, blijf ik wel hangen.

                                           ...

 

PS.
Een na een kijk ik ze aan, de vrouw en de kamer. Maar geen van beide heeft iets gehoord. Onverstoorbaar kijken ze door.
En dan besef ik het: ik ben inderdaad verdwenen. Ergens in de schaduw op de bodem van het ravijn.
Nog één keer kijk ik ze aan. Dan, o toeval, heft de zanger een van zijn bekendste liedjes aan, ‘Dancing in the dark’. Een geweldig nummer.
Ergens beneden in the dark begin ik heftig mee te dansen. Morgen, denk ik, uit de diepte glurend naar de vrouw en de kamer, zal ik ze eens wat laten zien.
Uit Si & La - Bernard Dewulf

 

318064

18-05-17

het kleine


Ik hoor geritsel. Het lijkt te komen uit de populier, die ik nog net kan onderscheiden. Als hoogste top in de buurt verzamelt hij de meeste mist. Het is de tijd van de trekvogels. Mogelijk schuilt in de boom nu een zwerm vogels die uitrusten en nahijgen. Of die ritselend slapen. Of die gewoon wachten, tot ze weer een hand voor ogen zien.


Ik zal het morgenochtend opschrijven, opdat het niet onopgemerkt zou blijven.

bernard dewulf
Foto's van: boddeus E-L

Als een soort bezwering van het nieuwe jaar dat eraan komt, heb ik me, volkomen overmoedig, voorgenomen vanaf Allerheiligen, het feest van eeuwige martelaren en tijdelijke chrysanten, dagelijks een notitie te maken over 'het kleine'.

Zo immers, wordt datgene genoemd waarover ik jarenlang geschreven heb. Het kleine.
Mij niet gelaten.

Citaat uit 'Trekvogels in de mist' pagina 9 - Bernard Dewulf

                                                      ...

Opdat het niet onopgemerkt zou voorbijgaan.


Elke dag schrijf ik het kleine. Anders.
Het weerloze.
Waarover men heen walst.

Het onooglijke.

Waarover men heen kijkt.
Het craquelé van gisteren.
Getijden van gemis.

En verborgen verlangen.

Het haalt nooit de pers.
Of de algoritmen van de beurs. Hausse of baisse:
het raakt de klaproos of de zwaluw niet.


Maar een dag zonder het kleine, bestaat niet.

 


PS.
De televisie ziet het niet.
De radio is te doof.
En de Krant achteloos en onverschillig.

 

 317134

 

17-05-17

Irgendwie, irgendwo, irgendwann

klaproos-papaver-met-knoppen.jpg

Nog zovele woorden wachten op ons.
Nog zovele handen.
Nog zovele schouders en lenden ...
 
ook de tijd wacht nog ... op ons.
 

                                                                     ...

Spijtig toch dat ik geen essay kan schrijven.
Met de stilte van het licht.
In mijn zinnen. Glimmend als glas en gevuld. Volledig.

Leeg en toch vol. Neen, dat ligt niet in mijn kennis en kunde.

Verder dan een vlinder,
un coquelicot of une hirondelle,
geraak ik niet.

Dit is alles wat ik heb. Lees me zo.


 

PS.
Soms voel ik opnieuw wat ik reeds pijnlijk voelde in de tijd
dat de fundamenten van de Kunst onderuit gehaald werden.
De zeventiger jaren was een periode van afbraak.

Letterlijk en figuurlijk.

Al wat van vroeger was, leek fake en moest aangepakt worden.
Vooral in de architectuur.
Er werden huizen uit hun voegen gelicht. En diepe gaten geslagen in de ziel van de stad.
De ruimte dicteerde dictatoriaal de plannen. Functie was het enige ornament.

Waarrond muren geplaatst werden.

Meen nu niet dat ik enkel van figuratief houd. Neen een paar vegen kunnen een zegen zijn.
Maar ik ben niet bij machte te kijken, te proeven en te genieten
zoals een Dewulf of Zwagerman.


PS.
Mijn verontschuldigingen, lezer-es, voor de lichtheid van mijn bestaan.

 

 

https://www.youtube.com/watch?v=SR7WbmwhEFE

 
 
www.youtube.com
1912, in a little town North of Paris. Séraphine Louis, works as a maid for Madame Duphot, who rents an apartment to a German art critic and dealer, Wilhelm Uhde, an ...

 

 

02-05-17

Missen is iets wat je voelt als het er niet is

 

Op een ochtend klopte de mier al vroeg op de deur van de eekhoorn.
'Gezellig,' zei de eekhoorn.
'Maar daar kom ik niet voor,' zei de mier.
...
Met zijn mond vol stroop vertelde de mier waarvoor hij
gekomen was.
'We moeten elkaar een tijdje niet zien,' zei hij.
'Waarom niet?' vroeg de eekhoorn verbaasd. Hij vond het juist zo gezellig
als de mier zomaar langskwam. Hij had z'n mond vol met pap
en keek de mier met grote ogen aan.
'Om erachter te komen of we elkaar zullen missen,' zei de mier.
'Missen?'
'Missen. Je weet toch wel wat dat is?'
'Nee,' zei de eekhoorn.
'Missen is iets wat je voelt als het er niet is.'
'Wat voel je dan?'
'Ja, daar gaat het nou om.' (zei de mier).

 Uit 'Misschien wisten zij alles' - pag. 130 - Toon Tellegen

 

                                                    ***

 

De stilte van het licht

 

 

Kennis is geluk. Deze titel spookt mij dagelijks door het hoofd.
Als een verwijt. Als troost.
Het is de titel van een boek van Zwagerman. Maar dat wist u reeds wellicht.

Momenteel lees ik al lanterfantend 'De stilte van het licht'.
Heerlijk.
Kennis bedekt met bewondering.

Dewulf beschrijft verf en schilders, hun werk
als een dichter.
Hij schrijft een nieuw schilderij.

Zwagerman kijkt en luistert.
Naar het doek.
Hij hoort de stilte van het licht. En hij verklaart. Hij is een essayist.

En toch, en toch... hij die overstroomde van kennis.
Geluk dus.
Waarom toch stapte hij dan uit het leven.

Het blijft mij een raadsel. Ik mis deze onbekende man.

 

 

 

PS.
Vanaf 1 januari 1996 frequenteer ik het publieke internet. In illo tempore werd ons aangeraden dat onder een nickname te doen. Je weet immers maar nooit.
En vermits ik vooral 'zaliger gedachtenis de dichterssites' bezocht, was een 'nom de plume' aangewezen. De tijd heeft me ingehaald.

Gisteren werd mij de toegang geweigerd tot FB. Slechts in mijn naakt burgerbestaan mag ik nog binnen. In de FB-Kerk. Dat ben ik niet van plan. 
En dus ben ik in de ban geslagen. Geëxcommuniceerd.

Uvi - een roerloze reiziger. Een buitengesmeten passer domesticus.

 

315293

08-04-17

Un instant perdu

...

Het verband is: het ogenblik. En het plezier.

Winnie leeft onvermoeibaar van avontuur naar avontuur, van tak naar blad naar honing. Brel zingt zich elke seconde de longen uit het wegterende lijf. Camus dan weer zoekt levenslang rusteloos naar zijn bestaansreden.

Alle drie leven ze heftig in het nu. Alle drie zijn ze wat Camus zou noemen ‘absurde helden’.

En van alle drie heeft Camus het het helderst verwoord. Piepjong al had hij het door. Toen schreef hij over het ogenblik. De mooiste ogenblikken, schreef hij, ‘hangen ergens in de eeuwigheid’.
Un instant suspendu dans l’éternité.

Het ogenblik als een hangmat in de bries van de eeuwigheid.

Uit: Si & La - Bernard Dewulf
Weekblad - De Standaard - 8 april 2017

                                                  ...

 

Ik heb er vele verloren.
Onderweg. Van ergens naar nergens.
En in de verte de horizon.

En wat er achter lag.

Ondertussen vergat ik ze.
Te koesteren. De ogenblikken.
Van het hier en nu.

Gemis is een bedrieglijk gat.

En verlangen een lenige leugen.
Die wanhoop wikkelt in vurige hoop.
En de verte verkoopt als een belofte.

Het land waar de eeuwige liefde woont.


             ...


PS.
Hun peilloze clair-obscur. Hun wanhopige hoop.
De schaterlach van hun afgrond.
De lichtheid van hun zwaarte. De kwinkslagen van hun tristesse.
De oogopslag van hun zinnelijkheid.

...

Dewulf is groot. Mijn held van woorden.
Hij schrijft mijn ogenblikken naar het geluk.
Ik proef het hier en nu.

Le petit déjeuner. De mon temps perdu.


 312363

01-04-17

A love of beauty is a joy forever

 

 

 Pornokrates, Félicien Rops.‘Wie leidt wie?’ Copyright Belga

 

En toen ik bij deze wat besluiteloze gedachte was aanbeland, kwam me zowat het bekendste varken uit onze eigen kunst voor ogen. Ik kon niet anders dan opgelucht glimlachen.

Het is een werk waarvan ik altijd al heb gehouden. Het heet Pornokrates, dateert van 1878 en is van Félicien Rops, een enfant terrible in de Belgische kunst.

Telkens als ik het tegenkom, wil ik evenzeer grijnzen als schateren. En telkens weer zie ik er iets nieuws in.

We zien een grotendeels naakte, geblinddoekte vrouw die op stap is met een varken aan de leiband. Er dwarrelen enkele geschokte putti rond en de belle dame sans merci stapt over een fries waarin, in het grijs, de klassieke kunsten verbeeld zijn.

De boodschap indertijd van Rops was duidelijk. Hij stak zijn middelvinger op naar noem maar op: de academische kunst, de hypocriete burgerij, de schijnheilige katholieke moraal.

Fuck you all.

Intussen is het roemruchte beeld op talloze manieren geïnterpreteerd. Van freudiaans over maatschappijkritisch tot libertijns. Het liefst zie ik er zelf twee soevereine gestalten in.
De ongenaakbare, wulpse, begeerlijke vrouw – o die strik op haar rug, die goddelijke billen en die mondaine handschoenen en demi-kousen.

Uit : Reflector - Bernard Dewulf
Weekblad - De Standaard - 1 april 2017

 

Schoonheid - la belle dame sans merci. 

 

Hoeveel kan één woord bevatten? Ik weet het niet.
Maar de ruimte van 'schoonheid' valt niet te meten. Of te weten.
Noch te beschrijven.

Meer dan duizend beelden maal duizend woorden, alleszins.

En dan nog heb je niets gezegd. Of toch te weinig.
Erger nog, er is zoveel verwarring rond dit woord.
Geen Profeet of Paus kon dit dogma bewijzen.

Tot één zaligmakende gedachte. Of een onfeilbare leer. De Esthetica. Ach.

Wij zijn niet meer dan gapers naar de Hemel.
Mannen van Galilea.
Onder een kruis. Van verlangen en gemis.

Hoe zouden we durven dit woord 'schoonheid' te begrenzen.

Alleen met ontroering kunnen we het naderen.
Aanraken. Desnoods betasten.
Maar het vangen door waarheid of weten.

Neen.

PS.
Ik wens u een goede morgen, dierbare lezer-es.
Inclusief een zalig weekend.
Ook al treurt de hemel. En is Pasen nog niet te bemerken. In de verte.

Zonder genade.
La Belle Dame sans Mercy

Lees:  https://en.wikipedia.org/wiki/La_Belle_Dame_sans_Merci

 

 

 311555

25-03-17

Nooit meer wenen

Altijd weer, zelfs uit een nachtmerrie, word ik wakker met het intense gevoel dat ik iets zo helder heb gezien als ik het ‘bij leven’ nooit zie. Nooit zo scherp. Alsof ik dromend andere, hogere ogen heb. Alsof ik een buizerd heb diep vanbinnen.

Ik kan me de dagen moeilijk voorstellen zonder die dromen. Ik heb dan ook in vergelijking met velen op de wereld dromen van dagen. Maar misschien, de dag dat ik onuitwisbaar een afgerukte arm in parelmoerblauwe stof zie liggen terwijl ik ren voor mijn leven, als een voorheen onbekend roofdier in mij, misschien dat er dan iets ophoudt in mij.

Ik zou het niet weten. Maar wie weet morgen.

De man herinnert zich ook nog: ‘Pas acht maanden na de aanslag huilde ik voor het eerst. Zo lang heeft het geduurd.’

Dan moet ik eigenlijk zwijgen. Dat is inderdaad verschrikkelijk lang.

Ik leef, begreep ik na het getuigenis van deze man, in dromen van dagen. Hoe dagen zijn zonder te kunnen dromen en huilen: ik zou het niet weten.

Ik doe ze beide zowat dagelijks, dromen en even kort huilen, ergens vanbinnen, waar inderdaad de pijn zit. Maar er zijn zoveel soorten pijn. In het lichaam.

Uit Si & la - Bernard Dewulf
Het Weekblad - De Standaard - 25 maart 2017

                                            ...



De laatste keer was in 2015. In een ziekenhuis.
Op de kamer waar moeder lag te sterven.
Ik brak. Heel even. Ik had het niet verwacht.

Want ik zag de dood van haar niet als een reden om te wenen.

Misschien duurde het wachten wel te lang.
Vooraleer ze naar de eeuwigheid mocht gaan.
Toen ze op zondag wakker werd, vroeg ze me:

'Werkt dat pilletje nu nog niet?'

Ze dacht dat ze euthanasie kreeg.
Maar dat mocht niet van de regels.
Het moest langzaamaan gebeuren.

En dus sliep ik naast haar, negen dagen en nachten lang. Een genade.

Tot het woensdag werd.
Halfacht in de ochtend.
En zij hier alles achterliet.

'Voor wie of voor wat moet ik nog blijven?', vroeg ze.

 


PS.
Ze genoot nog van elke dag. Hoewel ze meer dan 98 was.
En zelden buitenkwam.
Dat had ze het liefst: thuis mogen blijven.

Naar buiten kijken. Naar de wereld. Die niet groter was dan haar venster.
Gelukkig maar. Want op TV was hij te gruwelijk geworden.
Niet om aan te kijken.

Toen het, na anderhalve maand,  vaststond dat ze niet meer naar huis mocht,
toen wilde ze niet meer blijven. Leven.
Voor wie of voor wat?

PS.
Het is of er in mij een poreus gesteente leeft.
Dat wacht op water. Tranen.
Daarom sta ik elke ochtend lang onder de douche.

Een imitatie.

 

311010

 

 

 

19-03-17

misschien is het huis wel een herinnering

Elke ochtend, zo blijkt, kan mijn intiemste bestaan volkomen legaal gekraakt worden. En kan het dat wij onze boterham ergens in het bushokje moeten nuttigen. Terwijl het klokje thuis zoals nergens verder tikt.

Nu wil het geval dat ikzelf elke ochtend naar de bakker ga. Ik haal nu eenmaal graag het brood. Altijd kom ik daarna vanzelf weer thuis waar ik thuis ben. In een nieuwe dag. Soms staat het huis dan nog onder de douche. Soms kleedt het zich al aan voor de dag. Altijd zoent het me uiteindelijk goedemorgen.

En nooit ben ik van gisteren. Elke dag opnieuw zeg ik, zonder het ooit hardop te zeggen: hier ben ik thuis. Terwijl ik evengoed weet: het zijn maar wat tijdelijke stenen, muren en uren. Wij vieren hier met z’n vieren, eigenlijk z’n vijven, even het leven.

Na elk brood kan het voorbij zijn.

Na elk ontbijt kunnen wij afgelopen zijn.

Na elke ochtend kan het klokje nergens doortikken.

Na zowat elke middag vraag ik me af: waarom heten onze kamers ook ‘vertrekken’? Alsof we al moeten verdwijnen.

In menige nacht schrik ik even wakker: ben ik nog ergens thuis?

Om maar te zeggen, elk huis is heilig. Of het nu een tent, een krot, een verzameling kamers, een bank in het park of een paleis is. Ergens moeten we ons kunnen bergen. En die herbergzaamheid moet onschendbaar zijn.

In elk onderkomen wonen al na de eerste seconde herinneringen. Zelfs in tenten, kraakpanden, kampen of hotelkamers: overal laten wij onze adem, onze sporen, onze herinneringen onmiddellijk achter.

Uit Si & la - Bernard Dewulf
De Standaard Weekblad - 18 maart 2017

                                            ...

 

Misschien woon ik wel in een herinnering.
Is het dak de hemel.
En zijn de muren minuten.

Van het Uur Nu.

Misschien zijn mijn woorden
wel kamers.
Klaar om te vertrekken.

En verdiepingen seizoenen. Die veranderen met de trappen.

Misschien is het licht wel mijn Muze.
Mijn wispelturige Gezellin.
Van ochtend naar avond. Van lente naar winter.

En ik haar gemis en verlangen. Daartussenin.

 

 


PS.
Gisteren weer gebaad in de passie.
Van woorden en zinnen. La Grande Librairie.
Hemel en aarde. Heureux comme Dieu en France.

C' est la phrase. Niet het boek of de inhoud telt.
Maar de stijl.
De wereld verandert. En de schrijver is: le passage.

Une passerelle.

 

 

 310358

25-02-17

een beetje als een gedicht

Dat zogezegde geluk waarop ik chronisch word onderzocht, zo bedacht ik, is een beetje als een gedicht. Je kunt het in elk woord, in elke regel en witregel, uit alle windstreken, uit de zeven hoofdzonden, uit elk seizoen of desnoods uit alle statistieken benaderen. Maar finaal ontgaat het.

Zo ook schuilt diep in mij, in mijn blitzverschijning hier, mijn dagelijks raadsel. Niemand, vooral ikzelf niet, kan mij verklaren. Ik ben zo onuitlegbaar als alleman. Dat is mijn geluk. En mijn ongeluk. Daar groeit onze scheur en daar leef ik mee, zoals iedereen.

En één ding moet nu toch wel eens duidelijk zijn: ik ben geen schoolrapport, mijn geluk staat niet op punten en mijn ziel is geen examen, hoe geregeld ze ook zakt. Op het Dagelijks Werk van de dagen.

Anders was ik geen mens.

Uit Si & la - Bernard Dewulf - Weekblad van De Standaard
25 februari 2017

 

Misschien moeten we het wel verstoppen.
Vooraleer zo'n geleerde Professor het komt roven.
Voor zijn Statistieken.

Ons geluk.

Niet groter dan een gedacht,
een dag
of een gedicht.

Kwetsbaar en traag
als een huisjesslak.
Geluk dat je meesleurt.

Doorheen de lasten en lusten van je bestaan.

Zet het desnoods
op de Kast als een Relikwie.
Onder een stolp.

En stof het af.

Elke dag. Opnieuw.
Met een glimlach.
Als niemand het ziet.

Ongemerkt en ongemeten. En zonder statistiek.

En als je dan 's avonds thuiskomt.
Of straks.
Zet het dan even op je knie.

Of wieg het in je armen en zeg: blij dat ik je weerzie.

 

 

308085

21-02-17

Troost

 

 

 

 

Schoonheid

 

Hoe ouder ik raak, hoe meer conflicten ik meemaak,
hoe tijdelijker mijn tijd wordt, hoe brandender de haarden worden,
hoe hopelozer de tegenstellingen,
hoe uitzichtlozer de verzoeningen, hoe verlorener de zaken,
hoe vaker ik denk:
we zouden nu alle Tel Avivs, van Moskou over Tripoli tot Washington,
moeten beschieten met schoonheid.

Ik bedoel geen strooibrieven, pamfletten of slogans.
De eerste de beste wind neemt die zó mee.
Ik bedoel ook geen standpunten, geschilpunten of geloofspunten.
Ik bedoel gewoon schoonheid.

Eenvoudigweg schoonheid.


Uit "Si & la" - Bernard Dewulf  - De Standaard - 9 augustus 2014

 

19-02-17

Een herinnering is altijd een beetje reizen. Naar vroeger.

 

Blue

Het was diep nacht. We reden huiswaarts. Er viel stuifsneeuw, waardoor de nacht grijzig scheen. Plots doemde een stopplaats op langs de snelweg. Daar stonden tientallen trucks geparkeerd: rijen sinistere gestalten. Erin, besefte ik, lagen chauffeurs te slapen. De trucks en de plek, verlicht door één straatlamp, oogden grauw, eenzaam en koud.

Ik moest denken aan een van de foto’s die ik uit de krant geknipt had. (Nog altijd snij ik kinderlijk graag in de krant, knipsels uit de tijd.) Daarop zijn uitrustende trucks langs de snelweg te zien.

De volgende ochtend keek ik naar het beeld. Het was eenzelfde tafereel en het was het niet. De fotograaf had het anders gezien, in een heel ander licht.Beneden is het avond, boven is het (mid)dag. Dat is al ingewikkeld en ontregelend genoeg. En zo dacht Magritte er zelf ook over.

Het licht is de grootste regisseur van allemaal.

Uit 'Reflector' - Bernard Dewulf - Weekblad - DS
18 februari 2017

 

 

Een herinnering is altijd een beetje reizen. Naar vroeger.

In mijn bundel Blauwziek van Bernard Dewulf zit een treinticket.
Van L. naar Brugge: 30/06/2006.
Het ticket opent mijn ogen. Ik zie de verleden tijd van een dag die nog moet beginnen.

Het is middag en snikheet.
Een pak mensen zoekt de schaduw van hoge bomen.
Er wordt gelachen en gedronken. En gegeten.

Voordien kende ik enkel hun woorden. Ze zagen zichzelf als gedichten.

Ze hadden geen gezicht. Tenzij een beeld dat ik uit hun verzen had gefilterd.
En plots hadden de woorden zich verkleed in mensen.
Je kon ze zien en horen. Ruiken zelfs.

Ze vielen uit hun woorden. Alsof ze pas bestonden.

Letters uit een alphabet.
Die samenklonterden tot versregels.
Zinnen die naar lezers zochten.

En plots zaten ze daar. Onwezenlijke woorden. Met het lichaam van mensen.

 

 

PS.
Een dag later schreef ik ze terug samen. Van mens naar woord.

 

Woorden verkleed als mensen ...

Gisteren is ingekaderd.
Sepia nostalgisch.
Onherroepelijk onveranderlijk.

Alleen de tijd en het geheugen, die havens van mededogen,
zullen de foto nog veranderen.
Nog beeldiger en behaaglijker dan de dag al was.

En woorden verkleed als mensen
voelden zich thuis
tussen groen en gelach.

Tafels en glazen, vertaling van zalige zinnen,
waarop eten en drinken wacht.
Om te proeven op het puntje van een pen.

Letters, slapende syllaben,
alleen al omwille van een alliteratie,
beproefd en betast. Als gewillige goden.

Hevig als het licht van de dag.
Getemperd door schaduw
onder een brede boom van vriendschap.



2006

 

307479

 

11-02-17

elke dag een strofe

De Vlaamse regisseuse Nathalie Teirlinck heeft, lees ik, haar debuutfilm, Le passé devant nous – over een moeder en haar zoontje, opgenomen tijdens de lockdown, anderhalf jaar geleden, in Brussel, vanwege de aanslagen in Parijs.

Even, zei ze in de krant, heeft ze getwijfeld over doorgaan met de film, want waar zijn we mee bezig? Terwijl mensen willekeurig worden neergekogeld. Maar het verlossende antwoord was er snel:
‘Uitgerekend dit,’ besloot ze, ‘was wél een tijd om bezig te zijn met kunst en schoonheid.’

Ik zat te knikken. Ik herkende dat. Met één bijgedachte: laat die kunst er nu maar even vantussen en hou de schoonheid over. De kunst is een strofe van de schoonheid.
...
Of de gruwel groot of klein is, wereldwijd of in de intimiteit, zolang ik me kan herinneren, heb ik één tegenbeweging gehad: richting schoonheid. En die heeft duizend-en-één vormen, net als de gruwel trouwens.

...
Maar altijd dus heb ik toevlucht gezocht in de schoonheid.

Die laatste heeft me in zekere zin gered. Anders had ik me al lang geleden laten opzuigen. In de Nilfisk van de kleine gruwel. Of laten verslaan door de grotere gebeurtenissen.

Dat is nauwelijks een boutade. Misschien is het begonnen bij die moeder. Zo ongenadig en oorverdovend ze de ochtend kon opzuigen in haar kleine monster, zo stil kon ze stralen in de avond met parels om haar hals.

Onwillekeurig heeft ze me zo het verschil geleerd tussen het prozaïsche en het poëtische. Dat besef, en de behoefte aan haar straling na het stofzuigen, heeft me niet meer verlaten.

Nog altijd ben ik aangetrokken door schoonheid, al klinkt dat behoorlijk pathetisch – terwijl het soms best wel pathetisch is. Maar het is geen verslaving, geen obsessie, geen visioen. Het is zo dagelijks als wat, zij het wel chronisch.

Evenmin is het een ziekte, zelfs geen aandoening. Het is gewoon zo dagelijks als wat. Vooral is het terloops. En overal, en vooral en passant. Het is iets dat ik betrap en omgekeerd, dat mij betrapt.

Als was ik een dief.

Het schuilt net zo goed in, ik noem maar wat recents, een vroege lichtvlek in de badkamer, de smiley van de eidooier, als in een oogopslag aan de huishoudrollen in de Carrefour, de lade die ineens schokkend hapert, een afgedankt haarbandje op straat, het genie van een paperclip, een opengesneden peer die haar lichaam imiteert. Het schuilt in wezen in alles. Ook helaas in de gruwel.

En schuilen is het juiste woord.

Daarom is de kunst maar een strofe, of hooguit een refrein van de schoonheid. Het werkzaamst is die laatste in het voorbijgaan. In seconden, in tellen, in mums van tijd.

Ze is er niet om zichzelf, om zich te vertonen, zoals veel kunst. Ze gaat gewoon schuil in de lopende uren. Om de hoek. In een lichaam. In de gang der dingen.

In wezen zou men er de klok rond mee bezig kunnen zijn. Van het eitje tot haar dagelijkse woelwater ’s nachts. Zich allebei van geen kwaad, geen zinnelijkheid, geen schoonheid bewust.

Maar het zou geen leven zijn.

Altijd, daarom, gaat ze voorbij in het voorbijgaan. Zoals in de film die ik eerder noemde. Daarin draagt een moeder haar zoontje naar bed. En terwijl ze dat doet, ziet het kind een speling van het licht op de vloer. Gewoon in het voorbijgaan.

Misschien is het daar en toen begonnen bij dat kind: bij die toevallige speling, onvergetelijk net voor de slaap, van een schoonheid die hij nog niet begreep omdat hij moe was, maar wel had gezien.

En die hem nooit meer zou verlaten, in het proza van zijn toekomst.

Uit: Speling - Si & La - Bernard Dewulf - Weekblad - De Standaard - 11 februari 2017

 


                       ...

 

Er komt een tijd dat alleen schoonheid
je leven nog kan redden.
Het reddeloze aan deze gedachte
is dat geen mens kan bepalen wat schoonheid is.

Er is niemand die het in jouw plaats doet of kan of mag doen.

Geen school of paus, geen -ismen of strekkingen.
Geloof me.
Zij is helemaal alleen van jou.

Jij bent God in het diepst van haar bestaan.

Laat niemand aan de haal gaan met haar.
Met jouw Troost van Schoonheid.
Vandaag is het de ochtend die wakker wordt.

Morgen is het misschien te laat.



PS.
Elk woord dat ik hier neerpen voor jou
heeft geen zin,
als het je niet bekoort of verleidt.

Al was het maar één ogenblik.

Dat ik je gids mag zijn.
Naar binnen of naar buiten.
Heel even maar het kind in jou laat wakker worden.

Dat je weer ziet en luistert, ruikt of voelt.

Dat je vergeet
wie je bent, wie je bent geworden.
En dat, later als je groot zal zijn,

nog elke dag kan. Als je maar klein blijft.

PS.
Dank u, Bernard Dewulf, voor zoveel schoonheid
die jij de vrijheid gaf.
Ik geef ze wel een schuilplaats. Als ze kwetsbaar rond zich heen kijkt.



 

 

 306514

10-02-17

dat vreemde lichaam

Vertalen is een vorm van zwijgen, in de buurt van het al gezegde. En luisteren, luisteren, luisteren. Om vervolgens op te spreken, grotendeels als de andere, ten dele als wijzelf.

Ergens in een korte mijmering noemt de vertaler Johan Boonen vertalers ‘bevoorrechte gluurders’. Maar meer dan kijkende voyeurs zijn het luisteraars, met, ik citeer, ‘een onbeschrijfelijk respect voor de stilte van de tekst’.

En over die tekst zegt hij ook nog: ‘Geef hem de tijd.’
....

Natuurlijk klonk ze toen anders, werd ze anders gebruikt, anders opgevoerd. De taal. We weten soms zelfs niet precies hoe. Maar op een gegeven ogenblik komt de vertaler toch in een soort tussentijd terecht – of noem het een altijd-tijd – die diep in woorden, zinnen, beelden zit. Hoe oud of jong ze ook zijn.

Die altijd-tijd kan bij het vertalen voor een vervoering zorgen. Het besef dat er in het hart, of in de zenuwbanen van de taal iets tijdloos klopt of tikt of gewoon doorgaat. Van tijd naar tijd.

Misschien klinkt dit alles wat abstract. Terwijl ik het net zinnelijk bedoel. Vertalen is toch een transactie, een uitwisseling en, ja, een nadering tussen twee lichamen. Tussen twee corpussen, twee woordenschatten, twee grammatica’s, twee verbeeldingen.

Daarvan is dat laatste, de verbeelding, het belangrijkst. Vertalen ís ver-beelden. Een zo juist mogelijk beeld geven van de tekst, dat vreemde lichaam, in zijn nieuwe context. Daar is dus verbeelding voor nodig. Zowel in de zin van fantasie als van precisie.

Uit: Vertalen is bevrijden - Bernard Dewulf
De Standaard der Letteren - 10 februari 2017

 

***

Het liefst zou ik zwijgen. Na zo'n tekst. Stilte is de mooiste precisie
die kan volgen. Na zijn zinnen.
Elk ander woord verliest dan. Zichzelf. En dat vreemde lichaam.

De Taal.

Lost in translation. Misschien zondig ik nu wel tegen Dewulf:
maar is niet elke vertaling een verlies.
Niet alleen van schrijver naar schrijver.

Maar vooral van wit naar zwart. En van schrijver naar lezer.

Ik voel mij machteloos. Wanneer ik het ongezegde van het weerloze wit
tracht te vertalen.
Alsof je de zon wil schilderen en de zee in een woord wil gieten.

En toch blijf ik zondigen. Tegen dat vreemde lichaam.
Dat ik streel.
Alsof de Taal een Vrouw was. Een geliefde.

Bestaat er een schoner synoniem voor haar?



PS.
Toeval. Gisteren herhaalde ik een oude tekst in mijn dagboek.
Na Dewulf kan ik niet anders
dan dit vandaag opnieuw doen. De vertaling zal weer anders zijn.




 

Een vorm van zwijgen

Zie, hoe onmetelijk dit blanke veld is.
Die zwijgende afwezigheid van woorden.
Witte stilte van het niets. Dat ik openbreek.

Iets met niets bekleed. Een vlek van spreken.
Zonder toevoeging van enig weten.
Slechts het ontmantelen van mijn allenig leven.

Hoe dikwijls nog pleeg ik een aanslag
op dit onaantastbaar wezen.
Blad met volgeschreven leegte.

En ongeletterd zwijgen. De overtreffende trap van schrijven.

 

 

 

 

06-02-17

Later als ik nog ouder ben

.

 

 

06-02-16

Later komt nooit terug

 

Het is altijd weer moeilijk om te zien wat er in lichamen leeft. Elk lichaam is een schuilnaam.
En het is er zo donker vanbinnen.

En toch. Hoe langer ik toekeek, hoe mogelijker het me leek. Dat in iedereen wel zo’n boosheid leeft.
Of noem het een wonde, een pijn, een gat. Of noem het een verlatenheid, iets wat ontbreekt.

Zoals een dichter het noemde: het ont­brokene. Of weer een andere dichter: de bres.
Of zoals schilder Francis Bacon hem prachtig schilderde: onze grondeloze schreeuw.
...
En omdat ik niet precies wist wat hij wilde zeggen, de schreeuw, noch waar hij vandaan kwam of heen wilde,
heb ik hem dan maar een oude naam gegeven: melancholie.  Dat klinkt altijd goed.

Uit 'Si & la' - Bernard Dewulf - Het Weekblad - De Standaard
zaterdag 06 02 2016

 

 

Mijn lichaam is een schuilplaats.
Voor gemis en verlangen.
Ook voor weemoed.

Dat gemis aan vroeger.
Dat verlangen van toen.
Dat nooit een kans kreeg.

Omdat het altijd werd ingehaald. Door de werkelijkheid.

Het versleet of verslenste.
Of stierf embryonaal.
In de hunkering. Dat zachte graf.

Van de onmogelijkheid in ons bestaan. Later.

 


PS.
Later komt nooit terug.
Het is de toekomst
van ons verleden.

 

 270285

 

 

 

01-02-17

Hoe gaat het?


Intussen weet ik het niet. Hoe het écht gaat met de meesten om mij heen. En omgekeerd. Voor hetzelfde geld slaapt er iemand onnoemelijk alleen naast mij. Of in mij.

En ik weet wel, het is allemaal formule, beleefdheid, omgang, en we mogen niet klagen. Wij varen wel. En we kunnen niet elke dag op het voetpad ons hart luchten. Het plaveisel zou kromtrekken van schaamte.

Maar waarom had ik die verte nodig? Is het dichtbije te dagelijks, te bijziend, te kwetsbaar, domweg te vlakbij? Too close for comfort. Waarom weet nu alleen die verte werkelijk hoe het met mij gaat? En omgekeerd. Want ook daar gaat het zo. Zo liet de verte weten.

Soms baart het me zorgen. Soms zie ik ineens, haast als in een visioen, verbijsterend veel eenzaamheid om me heen. Op het voetpad, achter de vrolijke duim, in een zoen, zelfs in de vriendelijke groet van een mail. In geliefde lichamen, in snelle ontmoetingen, maar ook in tragere samenkomsten.

Zelden weet ik wat ik moet geloven.

Uit: Si & la - Bernard Dewulf - Weekblad De Standaard - 28 januari 2017

 

 

De trage verte.

 ***

 

Het  Post Scriptum hierboven, schreef ik gisteren in mijn dagboek.
En dan lees ik vandaag de volgende zin van Dewulf:

"Waarom weet nu alleen die verte werkelijk hoe het met mij gaat?"

Alleen de verte dus, kent mij. Ik schrok.
Hoe zit het dan met dit lichaam.
Bedrieg ik het stiekem.

Misschien doe ik dat wel onbewust om erin te kunnen blijven wonen.

Misschien spaar ik dit omhulsel om het niet verdrietig te maken.
Het is al zo oud geworden. Samen met mijn verte.
En ik ken het alleszins beter dan de reclame.

Die dit trage vehikel van alles wil doen geloven.
Dat het zo snel is als een elektrische fiets.
En zo knap als een puistige Adonis. Van de vorige oorlog.

Ach, soms houd ik m'n mond.
En laat ik dit corpus lankmoedig die prietpraat geloven.
Een beetje leugen voor een beetje geluk.

Alleen de verte die weet immers hoe het werkelijk met me is.




PS.
"De taal van poëzie is meerduidig."

Dat zei gisteren een jonge recensente in 'De wereld draait door'. NPO1.
Ze maakte mij gelukkig.

 

 305305