17-06-17

de grens van het verlangen

Toch is het vanzelf gegaan, althans in de herinnering van mijn lichaam. Langzaam, met de jaren van reiken en wijken, heb ik het wel begrepen. Dat er in wezen niets te begrijpen valt.

En dat ik precies dat moest proberen te begrijpen. In het verlangen naar de ander.  Die ik tegelijk nooit zou vinden. Maar blijkbaar wel voortdurend wil zoeken.

Kortom, met of zonder internet in mijn zak, met of zonder sexting, fossiel of zakdoek in mijn broek: waarom leren wij elkaar niet, desnoods al op 13, nog in korte broek en met halve borstjes, wanneer we nog niet eens weten hoe een vrouw misschien klaarkomt of een man gewoon wil thuiskomen, dat we elkaar nooit zullen vinden, maar wel schitterend kunnen naderen?

Dat net daarin, in die eeuwige nadering, onze menselijkste schoonheid en onze uiterste samenkomst schuilen?

Dat niet ‘het ding’ zelf, maar al de pogingen, bewegingen en gissingen eromheen – dat net zíj onze hele zinnelijkheid, onze hele erotiek, onze hele vereniging zijn?

Waarom blijft het zo moeilijk om dat te begrijpen? Dat de ander een grens is waarlangs wij verlangen naar de overgang, die nooit zal plaatsvinden.

Uit Si & La - Bernard Dewulf
Het Weekblad van De Standaard - 17 juni 2017

 

De woorden hierboven had ikzelf willen schrijven.
Maar dan anders. Over verf. En over het lichaam.
En zijn t-rillingen. Bij het naderen.

Over kijken en begrijpen. Zonder te verstaan.

Maar mijn handen zijn geen verfborstels.
Doch soms lijken ze wel suppoosten.

Als ze heel teder zijn. Dan dragen ze haar gemis.

Maar neen, in een Museum... kan ik niet kijken.
Zoals een ander.
Met de kennis van hun ogen geprangd
onder hun wetenschappelijke wimpers.

Ik kijk met mijn kloppend orgaan dat mij in leven houdt.

En als dat niet overslaat dan heb ik niets gezien. Noch minder
begrepen.
Ik zie niet in termen van strepen of vegen,

van dichtbij of ver weg. Vooral niet binnen het kader van namen.

Maar van beelden en verbeelding.
Hoe vullen ze mekaar aan.
Hoe laten ze mekaar vrij.

'Hoe' is mijn bril. En ontroering mijn vergezicht.

Tracht deze woorden niet te vatten, lezer-es,
kijk ernaar als naar een doek.
Knijp je ogen dicht, enerveer desnoods een toevallige suppoost.

En lees vooral wat er niet staat.

bernard dewulf

PS.
De stilte van het licht van Joost Zwagerman is bijna verdwenen. Nog enkele pagina's
en dan is het weer donker. In de taal van de leegte.

Joost Zwagerman schrijft, bijzonder en helder, moeilijk en onbegrijpbaar,
maar zo leesbaar boeiend.

Ik geraak niet tot aan zijn hielen. Zijn kennis overschaduwt mij.
Maar ik hou van de koelte onder het lover van zijn woorden.

Ik begrijp de stilte niet en al evenmin het licht. Maar soms nader ik de ontroering.
Daar ligt de grens van mijn verlangen.


"Langzaam, met de jaren van reiken en wijken, heb ik het wel begrepen. Dat er in wezen niets te begrijpen valt."
Bernard Dewulf.

 

https://youtu.be/0_YDrJoUe8s

 
youtu.be
Subscribe for our latest videos: http://mo.ma/subscribe Explore our collection online: http://mo.ma/art Plan your visit in-person: http://mo.ma/visit Filmed ...



320666

 

10-06-17

Prêt-À-Aimer

En terwijl ik ons zo verenigd zie zitten, in de verlopende avond, bijna kan raden waarover het hoofd van de tafel het heeft met zijn buur, bijna kan voorspellen hoe zij nu wat weifelend, na glazen, haar haar zal schikken en hij aan zijn moppen zal beginnen, schiet me een zin te binnen die ik onlangs las en heb onthouden. Hij is van een filosoof en luidt:
‘Wij vieren herhalingen’. Ik herhaal: ‘Wij vieren herhalingen’.

De zin lijkt me precies te zeggen waar wij mee bezig zijn.

De filosoof voegt er ook nog licht venijnig aan toe: ‘Hoe feestelijk kun je het krijgen in een bestaan waarin alles wat opkomt ook telkens weer ondergaat?

Uit Si & La - Bernard Dewulf
Het Weekblad van De Standaard - 10 juni 2017

Uit een film van Sohrab Shahid Saless 

 

 

Ben ik wel klaar voor de dag. En straks.
Prêt-à-Aimer.
Kan ik nog liefde slurpen uit de ochtend.

Die zich herhaalt. Alsof hij onuitputtelijk is.

En hoe overleeft liefde
de herhaling.
Van de seizoenen.

Is er nog tijd om te zoenen.

 

 



PS.

Laat ik eindigen met die vraag. Iedereen heeft immers een ander
antwoord.
Iedereen herhaalt zich anders.

Door soms te aarzelen, te stotteren. Te ontwijken, te wijken. Te mijden.

Er zijn vele katalysatoren.
Gladiatoren die ons gemis bestrijden. Of ons verlangen verwonden.
Dis-moi...

PS.
Er stonden meerdere foto's in het Weekblad die mij raakten. Ontroerden.
Ik kon er niet van wegkijken.
Hoeveel moedeloze herhaling zit er in het beeld hierboven.

Waar eindigt het? Wanneer? En hoe?

 

PS.
Ik leende de titel van mijn dagboek uit dit korte bericht:
Om haar multiculturele identiteit te onderzoeken, dook Aïcha Cissé voor de voorstelling
Dis-moi wie ik ben in haar familieleven. In haar nieuwe stuk Prêt-à-Aimer graaft de film- en theatermaakster met evenveel genoegen in haar liefdesleven. Het resultaat is een semi-autobiografische monoloog over het mysterie dat we liefde noemen.
Uit De Standaard
...

En dan vind ik dit:

Retie, vrijdag 2 november 1990

Omdat er schijnbaar nooit iets ophefmakends in je leven gebeurt
en je dagen bestaan uit dagdromen en herinneringen, grijpt ieder
vandaag terug naar de dagdromen en herinneringen van gisteren.
En hoe dichter het definitieve 'morgen' jou nadert, hoe meer je leven
de vormen zal hebben aangenomen van herinneringen aan herinneringen
en van dagdromen over dagdromen, en hoe dichter, dikker en ondoorzichtiger
de massa onbestaan zal zijn, die je scheidt van het enige
werkelijk  beslissende en ophefmakende feit van je bestaan: je geboorte.
En heel dat proces is dan wat dichters en filosofen durven te noemen:
de ver-wezen-lijking, de essentialisering!

Uit 'Dagboek van een dichter' - Leonard Nolens.

 


319827

27-05-17

van iemand tot niemand

bernard dewulf
TV Tropes

En zo dus krimp ik, terwijl ik nu uit de vrouw kijk naar haar Bruce – in wiens achternaam niet toevallig ‘prins’ klinkt – langzaam ineen van mijn kamerbrede schouders tot een lullig piemeltje.

Aan het einde van de documentaire ben ik niemand meer. Maar alleen de woonkamer ziet het.

Ik bedoel het haast letterlijk: ik ben zo iemand die in een kwestie van seconden van iemand tot niemand kan vergruizelen. In een fractie kan verschrompelen van een misschien verdienstelijk bestaan tot zijn nietigheid. Van zijn hoogmoed tot zijn val. Van zijn hier tot zijn nergens. Van zijn ooit in enkele seconden tot zijn nooit.

Ongetwijfeld hebben psychiaters daar een woord voor. De dieploodmens, ik zeg maar wat.

Want dat is het, ik ben mijn eigen dieplood. Iets bedient het in mijn innerlijke ravijn. Als een jojo.

En nooit heb ik het anders geweten. Ik kon al sterven in de kleuterklas. En hoe warm ik ook ben opgevoed, er is iets tevergeefs aan. Men is zijn eigen dieplood of men is het niet.

Uit Het Weekblad van De Standaard - Si & la - Bernard Dewulf
27 mei 2017

                                              ...

De buren slapen nog. De mussen niet.
De hemel is al blauw. De lucht nog fris.
Ik lees mijn eigen nietigheid. In de Krant.

Geschreven door een ander.

Hij kent me niet. Hij kent me beter
dan ik soms wel wil.
Hij schrijft mij op.

Alsof ik in zijn hersenen woon.


Hij etaleert mijn onbenulligheid.
Mijn oud gemis, mijn vers verlangen.
Zonder dat hij mijn gedachten hoort.

Hij ontbloot mij zonder schroom.


Mijn krimpgedrag. Ik zeg maar wat.
Zoals een te heet gekookte was. Mijn rimpels.
Die ik al meedraag.
Van toen ik nog een baby was.

Morgen ben ik een ander.

                     ...



Straks ben ik een ander

Als zij mijn naam zingt.
Als geen ander.
Met een diminutiefje.

Dan klink ik als een klok.
Een deurbel.
Of een deuntje.

Een beetje ouderwets.
Een herfstblad in de lente.
Bijna klaar om van de boom te vallen.

Maar zolang zij zingt, blijf ik wel hangen.

                                           ...

 

PS.
Een na een kijk ik ze aan, de vrouw en de kamer. Maar geen van beide heeft iets gehoord. Onverstoorbaar kijken ze door.
En dan besef ik het: ik ben inderdaad verdwenen. Ergens in de schaduw op de bodem van het ravijn.
Nog één keer kijk ik ze aan. Dan, o toeval, heft de zanger een van zijn bekendste liedjes aan, ‘Dancing in the dark’. Een geweldig nummer.
Ergens beneden in the dark begin ik heftig mee te dansen. Morgen, denk ik, uit de diepte glurend naar de vrouw en de kamer, zal ik ze eens wat laten zien.
Uit Si & La - Bernard Dewulf

 

318064

18-05-17

het kleine


Ik hoor geritsel. Het lijkt te komen uit de populier, die ik nog net kan onderscheiden. Als hoogste top in de buurt verzamelt hij de meeste mist. Het is de tijd van de trekvogels. Mogelijk schuilt in de boom nu een zwerm vogels die uitrusten en nahijgen. Of die ritselend slapen. Of die gewoon wachten, tot ze weer een hand voor ogen zien.


Ik zal het morgenochtend opschrijven, opdat het niet onopgemerkt zou blijven.

bernard dewulf
Foto's van: boddeus E-L

Als een soort bezwering van het nieuwe jaar dat eraan komt, heb ik me, volkomen overmoedig, voorgenomen vanaf Allerheiligen, het feest van eeuwige martelaren en tijdelijke chrysanten, dagelijks een notitie te maken over 'het kleine'.

Zo immers, wordt datgene genoemd waarover ik jarenlang geschreven heb. Het kleine.
Mij niet gelaten.

Citaat uit 'Trekvogels in de mist' pagina 9 - Bernard Dewulf

                                                      ...

Opdat het niet onopgemerkt zou voorbijgaan.


Elke dag schrijf ik het kleine. Anders.
Het weerloze.
Waarover men heen walst.

Het onooglijke.

Waarover men heen kijkt.
Het craquelé van gisteren.
Getijden van gemis.

En verborgen verlangen.

Het haalt nooit de pers.
Of de algoritmen van de beurs. Hausse of baisse:
het raakt de klaproos of de zwaluw niet.


Maar een dag zonder het kleine, bestaat niet.

 


PS.
De televisie ziet het niet.
De radio is te doof.
En de Krant achteloos en onverschillig.

 

 317134

 

17-05-17

Irgendwie, irgendwo, irgendwann

klaproos-papaver-met-knoppen.jpg

Nog zovele woorden wachten op ons.
Nog zovele handen.
Nog zovele schouders en lenden ...
 
ook de tijd wacht nog ... op ons.
 

                                                                     ...

Spijtig toch dat ik geen essay kan schrijven.
Met de stilte van het licht.
In mijn zinnen. Glimmend als glas en gevuld. Volledig.

Leeg en toch vol. Neen, dat ligt niet in mijn kennis en kunde.

Verder dan een vlinder,
un coquelicot of une hirondelle,
geraak ik niet.

Dit is alles wat ik heb. Lees me zo.


 

PS.
Soms voel ik opnieuw wat ik reeds pijnlijk voelde in de tijd
dat de fundamenten van de Kunst onderuit gehaald werden.
De zeventiger jaren was een periode van afbraak.

Letterlijk en figuurlijk.

Al wat van vroeger was, leek fake en moest aangepakt worden.
Vooral in de architectuur.
Er werden huizen uit hun voegen gelicht. En diepe gaten geslagen in de ziel van de stad.
De ruimte dicteerde dictatoriaal de plannen. Functie was het enige ornament.

Waarrond muren geplaatst werden.

Meen nu niet dat ik enkel van figuratief houd. Neen een paar vegen kunnen een zegen zijn.
Maar ik ben niet bij machte te kijken, te proeven en te genieten
zoals een Dewulf of Zwagerman.


PS.
Mijn verontschuldigingen, lezer-es, voor de lichtheid van mijn bestaan.

 

 

https://www.youtube.com/watch?v=SR7WbmwhEFE

 
 
www.youtube.com
1912, in a little town North of Paris. Séraphine Louis, works as a maid for Madame Duphot, who rents an apartment to a German art critic and dealer, Wilhelm Uhde, an ...

 

 

02-05-17

Missen is iets wat je voelt als het er niet is

 

Op een ochtend klopte de mier al vroeg op de deur van de eekhoorn.
'Gezellig,' zei de eekhoorn.
'Maar daar kom ik niet voor,' zei de mier.
...
Met zijn mond vol stroop vertelde de mier waarvoor hij
gekomen was.
'We moeten elkaar een tijdje niet zien,' zei hij.
'Waarom niet?' vroeg de eekhoorn verbaasd. Hij vond het juist zo gezellig
als de mier zomaar langskwam. Hij had z'n mond vol met pap
en keek de mier met grote ogen aan.
'Om erachter te komen of we elkaar zullen missen,' zei de mier.
'Missen?'
'Missen. Je weet toch wel wat dat is?'
'Nee,' zei de eekhoorn.
'Missen is iets wat je voelt als het er niet is.'
'Wat voel je dan?'
'Ja, daar gaat het nou om.' (zei de mier).

 Uit 'Misschien wisten zij alles' - pag. 130 - Toon Tellegen

 

                                                    ***

 

De stilte van het licht

 

 

Kennis is geluk. Deze titel spookt mij dagelijks door het hoofd.
Als een verwijt. Als troost.
Het is de titel van een boek van Zwagerman. Maar dat wist u reeds wellicht.

Momenteel lees ik al lanterfantend 'De stilte van het licht'.
Heerlijk.
Kennis bedekt met bewondering.

Dewulf beschrijft verf en schilders, hun werk
als een dichter.
Hij schrijft een nieuw schilderij.

Zwagerman kijkt en luistert.
Naar het doek.
Hij hoort de stilte van het licht. En hij verklaart. Hij is een essayist.

En toch, en toch... hij die overstroomde van kennis.
Geluk dus.
Waarom toch stapte hij dan uit het leven.

Het blijft mij een raadsel. Ik mis deze onbekende man.

 

 

 

PS.
Vanaf 1 januari 1996 frequenteer ik het publieke internet. In illo tempore werd ons aangeraden dat onder een nickname te doen. Je weet immers maar nooit.
En vermits ik vooral 'zaliger gedachtenis de dichterssites' bezocht, was een 'nom de plume' aangewezen. De tijd heeft me ingehaald.

Gisteren werd mij de toegang geweigerd tot FB. Slechts in mijn naakt burgerbestaan mag ik nog binnen. In de FB-Kerk. Dat ben ik niet van plan. 
En dus ben ik in de ban geslagen. Geëxcommuniceerd.

Uvi - een roerloze reiziger. Een buitengesmeten passer domesticus.

 

315293

08-04-17

Un instant perdu

...

Het verband is: het ogenblik. En het plezier.

Winnie leeft onvermoeibaar van avontuur naar avontuur, van tak naar blad naar honing. Brel zingt zich elke seconde de longen uit het wegterende lijf. Camus dan weer zoekt levenslang rusteloos naar zijn bestaansreden.

Alle drie leven ze heftig in het nu. Alle drie zijn ze wat Camus zou noemen ‘absurde helden’.

En van alle drie heeft Camus het het helderst verwoord. Piepjong al had hij het door. Toen schreef hij over het ogenblik. De mooiste ogenblikken, schreef hij, ‘hangen ergens in de eeuwigheid’.
Un instant suspendu dans l’éternité.

Het ogenblik als een hangmat in de bries van de eeuwigheid.

Uit: Si & La - Bernard Dewulf
Weekblad - De Standaard - 8 april 2017

                                                  ...

 

Ik heb er vele verloren.
Onderweg. Van ergens naar nergens.
En in de verte de horizon.

En wat er achter lag.

Ondertussen vergat ik ze.
Te koesteren. De ogenblikken.
Van het hier en nu.

Gemis is een bedrieglijk gat.

En verlangen een lenige leugen.
Die wanhoop wikkelt in vurige hoop.
En de verte verkoopt als een belofte.

Het land waar de eeuwige liefde woont.


             ...


PS.
Hun peilloze clair-obscur. Hun wanhopige hoop.
De schaterlach van hun afgrond.
De lichtheid van hun zwaarte. De kwinkslagen van hun tristesse.
De oogopslag van hun zinnelijkheid.

...

Dewulf is groot. Mijn held van woorden.
Hij schrijft mijn ogenblikken naar het geluk.
Ik proef het hier en nu.

Le petit déjeuner. De mon temps perdu.


 312363

01-04-17

A love of beauty is a joy forever

 

 

 Pornokrates, Félicien Rops.‘Wie leidt wie?’ Copyright Belga

 

En toen ik bij deze wat besluiteloze gedachte was aanbeland, kwam me zowat het bekendste varken uit onze eigen kunst voor ogen. Ik kon niet anders dan opgelucht glimlachen.

Het is een werk waarvan ik altijd al heb gehouden. Het heet Pornokrates, dateert van 1878 en is van Félicien Rops, een enfant terrible in de Belgische kunst.

Telkens als ik het tegenkom, wil ik evenzeer grijnzen als schateren. En telkens weer zie ik er iets nieuws in.

We zien een grotendeels naakte, geblinddoekte vrouw die op stap is met een varken aan de leiband. Er dwarrelen enkele geschokte putti rond en de belle dame sans merci stapt over een fries waarin, in het grijs, de klassieke kunsten verbeeld zijn.

De boodschap indertijd van Rops was duidelijk. Hij stak zijn middelvinger op naar noem maar op: de academische kunst, de hypocriete burgerij, de schijnheilige katholieke moraal.

Fuck you all.

Intussen is het roemruchte beeld op talloze manieren geïnterpreteerd. Van freudiaans over maatschappijkritisch tot libertijns. Het liefst zie ik er zelf twee soevereine gestalten in.
De ongenaakbare, wulpse, begeerlijke vrouw – o die strik op haar rug, die goddelijke billen en die mondaine handschoenen en demi-kousen.

Uit : Reflector - Bernard Dewulf
Weekblad - De Standaard - 1 april 2017

 

Schoonheid - la belle dame sans merci. 

 

Hoeveel kan één woord bevatten? Ik weet het niet.
Maar de ruimte van 'schoonheid' valt niet te meten. Of te weten.
Noch te beschrijven.

Meer dan duizend beelden maal duizend woorden, alleszins.

En dan nog heb je niets gezegd. Of toch te weinig.
Erger nog, er is zoveel verwarring rond dit woord.
Geen Profeet of Paus kon dit dogma bewijzen.

Tot één zaligmakende gedachte. Of een onfeilbare leer. De Esthetica. Ach.

Wij zijn niet meer dan gapers naar de Hemel.
Mannen van Galilea.
Onder een kruis. Van verlangen en gemis.

Hoe zouden we durven dit woord 'schoonheid' te begrenzen.

Alleen met ontroering kunnen we het naderen.
Aanraken. Desnoods betasten.
Maar het vangen door waarheid of weten.

Neen.

PS.
Ik wens u een goede morgen, dierbare lezer-es.
Inclusief een zalig weekend.
Ook al treurt de hemel. En is Pasen nog niet te bemerken. In de verte.

Zonder genade.
La Belle Dame sans Mercy

Lees:  https://en.wikipedia.org/wiki/La_Belle_Dame_sans_Merci

 

 

 311555

25-03-17

Nooit meer wenen

Altijd weer, zelfs uit een nachtmerrie, word ik wakker met het intense gevoel dat ik iets zo helder heb gezien als ik het ‘bij leven’ nooit zie. Nooit zo scherp. Alsof ik dromend andere, hogere ogen heb. Alsof ik een buizerd heb diep vanbinnen.

Ik kan me de dagen moeilijk voorstellen zonder die dromen. Ik heb dan ook in vergelijking met velen op de wereld dromen van dagen. Maar misschien, de dag dat ik onuitwisbaar een afgerukte arm in parelmoerblauwe stof zie liggen terwijl ik ren voor mijn leven, als een voorheen onbekend roofdier in mij, misschien dat er dan iets ophoudt in mij.

Ik zou het niet weten. Maar wie weet morgen.

De man herinnert zich ook nog: ‘Pas acht maanden na de aanslag huilde ik voor het eerst. Zo lang heeft het geduurd.’

Dan moet ik eigenlijk zwijgen. Dat is inderdaad verschrikkelijk lang.

Ik leef, begreep ik na het getuigenis van deze man, in dromen van dagen. Hoe dagen zijn zonder te kunnen dromen en huilen: ik zou het niet weten.

Ik doe ze beide zowat dagelijks, dromen en even kort huilen, ergens vanbinnen, waar inderdaad de pijn zit. Maar er zijn zoveel soorten pijn. In het lichaam.

Uit Si & la - Bernard Dewulf
Het Weekblad - De Standaard - 25 maart 2017

                                            ...



De laatste keer was in 2015. In een ziekenhuis.
Op de kamer waar moeder lag te sterven.
Ik brak. Heel even. Ik had het niet verwacht.

Want ik zag de dood van haar niet als een reden om te wenen.

Misschien duurde het wachten wel te lang.
Vooraleer ze naar de eeuwigheid mocht gaan.
Toen ze op zondag wakker werd, vroeg ze me:

'Werkt dat pilletje nu nog niet?'

Ze dacht dat ze euthanasie kreeg.
Maar dat mocht niet van de regels.
Het moest langzaamaan gebeuren.

En dus sliep ik naast haar, negen dagen en nachten lang. Een genade.

Tot het woensdag werd.
Halfacht in de ochtend.
En zij hier alles achterliet.

'Voor wie of voor wat moet ik nog blijven?', vroeg ze.

 


PS.
Ze genoot nog van elke dag. Hoewel ze meer dan 98 was.
En zelden buitenkwam.
Dat had ze het liefst: thuis mogen blijven.

Naar buiten kijken. Naar de wereld. Die niet groter was dan haar venster.
Gelukkig maar. Want op TV was hij te gruwelijk geworden.
Niet om aan te kijken.

Toen het, na anderhalve maand,  vaststond dat ze niet meer naar huis mocht,
toen wilde ze niet meer blijven. Leven.
Voor wie of voor wat?

PS.
Het is of er in mij een poreus gesteente leeft.
Dat wacht op water. Tranen.
Daarom sta ik elke ochtend lang onder de douche.

Een imitatie.

 

311010

 

 

 

19-03-17

misschien is het huis wel een herinnering

Elke ochtend, zo blijkt, kan mijn intiemste bestaan volkomen legaal gekraakt worden. En kan het dat wij onze boterham ergens in het bushokje moeten nuttigen. Terwijl het klokje thuis zoals nergens verder tikt.

Nu wil het geval dat ikzelf elke ochtend naar de bakker ga. Ik haal nu eenmaal graag het brood. Altijd kom ik daarna vanzelf weer thuis waar ik thuis ben. In een nieuwe dag. Soms staat het huis dan nog onder de douche. Soms kleedt het zich al aan voor de dag. Altijd zoent het me uiteindelijk goedemorgen.

En nooit ben ik van gisteren. Elke dag opnieuw zeg ik, zonder het ooit hardop te zeggen: hier ben ik thuis. Terwijl ik evengoed weet: het zijn maar wat tijdelijke stenen, muren en uren. Wij vieren hier met z’n vieren, eigenlijk z’n vijven, even het leven.

Na elk brood kan het voorbij zijn.

Na elk ontbijt kunnen wij afgelopen zijn.

Na elke ochtend kan het klokje nergens doortikken.

Na zowat elke middag vraag ik me af: waarom heten onze kamers ook ‘vertrekken’? Alsof we al moeten verdwijnen.

In menige nacht schrik ik even wakker: ben ik nog ergens thuis?

Om maar te zeggen, elk huis is heilig. Of het nu een tent, een krot, een verzameling kamers, een bank in het park of een paleis is. Ergens moeten we ons kunnen bergen. En die herbergzaamheid moet onschendbaar zijn.

In elk onderkomen wonen al na de eerste seconde herinneringen. Zelfs in tenten, kraakpanden, kampen of hotelkamers: overal laten wij onze adem, onze sporen, onze herinneringen onmiddellijk achter.

Uit Si & la - Bernard Dewulf
De Standaard Weekblad - 18 maart 2017

                                            ...

 

Misschien woon ik wel in een herinnering.
Is het dak de hemel.
En zijn de muren minuten.

Van het Uur Nu.

Misschien zijn mijn woorden
wel kamers.
Klaar om te vertrekken.

En verdiepingen seizoenen. Die veranderen met de trappen.

Misschien is het licht wel mijn Muze.
Mijn wispelturige Gezellin.
Van ochtend naar avond. Van lente naar winter.

En ik haar gemis en verlangen. Daartussenin.

 

 


PS.
Gisteren weer gebaad in de passie.
Van woorden en zinnen. La Grande Librairie.
Hemel en aarde. Heureux comme Dieu en France.

C' est la phrase. Niet het boek of de inhoud telt.
Maar de stijl.
De wereld verandert. En de schrijver is: le passage.

Une passerelle.

 

 

 310358

25-02-17

een beetje als een gedicht

Dat zogezegde geluk waarop ik chronisch word onderzocht, zo bedacht ik, is een beetje als een gedicht. Je kunt het in elk woord, in elke regel en witregel, uit alle windstreken, uit de zeven hoofdzonden, uit elk seizoen of desnoods uit alle statistieken benaderen. Maar finaal ontgaat het.

Zo ook schuilt diep in mij, in mijn blitzverschijning hier, mijn dagelijks raadsel. Niemand, vooral ikzelf niet, kan mij verklaren. Ik ben zo onuitlegbaar als alleman. Dat is mijn geluk. En mijn ongeluk. Daar groeit onze scheur en daar leef ik mee, zoals iedereen.

En één ding moet nu toch wel eens duidelijk zijn: ik ben geen schoolrapport, mijn geluk staat niet op punten en mijn ziel is geen examen, hoe geregeld ze ook zakt. Op het Dagelijks Werk van de dagen.

Anders was ik geen mens.

Uit Si & la - Bernard Dewulf - Weekblad van De Standaard
25 februari 2017

 

Misschien moeten we het wel verstoppen.
Vooraleer zo'n geleerde Professor het komt roven.
Voor zijn Statistieken.

Ons geluk.

Niet groter dan een gedacht,
een dag
of een gedicht.

Kwetsbaar en traag
als een huisjesslak.
Geluk dat je meesleurt.

Doorheen de lasten en lusten van je bestaan.

Zet het desnoods
op de Kast als een Relikwie.
Onder een stolp.

En stof het af.

Elke dag. Opnieuw.
Met een glimlach.
Als niemand het ziet.

Ongemerkt en ongemeten. En zonder statistiek.

En als je dan 's avonds thuiskomt.
Of straks.
Zet het dan even op je knie.

Of wieg het in je armen en zeg: blij dat ik je weerzie.

 

 

308085

21-02-17

Troost

 

 

 

 

Schoonheid

 

Hoe ouder ik raak, hoe meer conflicten ik meemaak,
hoe tijdelijker mijn tijd wordt, hoe brandender de haarden worden,
hoe hopelozer de tegenstellingen,
hoe uitzichtlozer de verzoeningen, hoe verlorener de zaken,
hoe vaker ik denk:
we zouden nu alle Tel Avivs, van Moskou over Tripoli tot Washington,
moeten beschieten met schoonheid.

Ik bedoel geen strooibrieven, pamfletten of slogans.
De eerste de beste wind neemt die zó mee.
Ik bedoel ook geen standpunten, geschilpunten of geloofspunten.
Ik bedoel gewoon schoonheid.

Eenvoudigweg schoonheid.


Uit "Si & la" - Bernard Dewulf  - De Standaard - 9 augustus 2014

 

19-02-17

Een herinnering is altijd een beetje reizen. Naar vroeger.

 

Blue

Het was diep nacht. We reden huiswaarts. Er viel stuifsneeuw, waardoor de nacht grijzig scheen. Plots doemde een stopplaats op langs de snelweg. Daar stonden tientallen trucks geparkeerd: rijen sinistere gestalten. Erin, besefte ik, lagen chauffeurs te slapen. De trucks en de plek, verlicht door één straatlamp, oogden grauw, eenzaam en koud.

Ik moest denken aan een van de foto’s die ik uit de krant geknipt had. (Nog altijd snij ik kinderlijk graag in de krant, knipsels uit de tijd.) Daarop zijn uitrustende trucks langs de snelweg te zien.

De volgende ochtend keek ik naar het beeld. Het was eenzelfde tafereel en het was het niet. De fotograaf had het anders gezien, in een heel ander licht.Beneden is het avond, boven is het (mid)dag. Dat is al ingewikkeld en ontregelend genoeg. En zo dacht Magritte er zelf ook over.

Het licht is de grootste regisseur van allemaal.

Uit 'Reflector' - Bernard Dewulf - Weekblad - DS
18 februari 2017

 

 

Een herinnering is altijd een beetje reizen. Naar vroeger.

In mijn bundel Blauwziek van Bernard Dewulf zit een treinticket.
Van L. naar Brugge: 30/06/2006.
Het ticket opent mijn ogen. Ik zie de verleden tijd van een dag die nog moet beginnen.

Het is middag en snikheet.
Een pak mensen zoekt de schaduw van hoge bomen.
Er wordt gelachen en gedronken. En gegeten.

Voordien kende ik enkel hun woorden. Ze zagen zichzelf als gedichten.

Ze hadden geen gezicht. Tenzij een beeld dat ik uit hun verzen had gefilterd.
En plots hadden de woorden zich verkleed in mensen.
Je kon ze zien en horen. Ruiken zelfs.

Ze vielen uit hun woorden. Alsof ze pas bestonden.

Letters uit een alphabet.
Die samenklonterden tot versregels.
Zinnen die naar lezers zochten.

En plots zaten ze daar. Onwezenlijke woorden. Met het lichaam van mensen.

 

 

PS.
Een dag later schreef ik ze terug samen. Van mens naar woord.

 

Woorden verkleed als mensen ...

Gisteren is ingekaderd.
Sepia nostalgisch.
Onherroepelijk onveranderlijk.

Alleen de tijd en het geheugen, die havens van mededogen,
zullen de foto nog veranderen.
Nog beeldiger en behaaglijker dan de dag al was.

En woorden verkleed als mensen
voelden zich thuis
tussen groen en gelach.

Tafels en glazen, vertaling van zalige zinnen,
waarop eten en drinken wacht.
Om te proeven op het puntje van een pen.

Letters, slapende syllaben,
alleen al omwille van een alliteratie,
beproefd en betast. Als gewillige goden.

Hevig als het licht van de dag.
Getemperd door schaduw
onder een brede boom van vriendschap.



2006

 

307479

 

11-02-17

elke dag een strofe

De Vlaamse regisseuse Nathalie Teirlinck heeft, lees ik, haar debuutfilm, Le passé devant nous – over een moeder en haar zoontje, opgenomen tijdens de lockdown, anderhalf jaar geleden, in Brussel, vanwege de aanslagen in Parijs.

Even, zei ze in de krant, heeft ze getwijfeld over doorgaan met de film, want waar zijn we mee bezig? Terwijl mensen willekeurig worden neergekogeld. Maar het verlossende antwoord was er snel:
‘Uitgerekend dit,’ besloot ze, ‘was wél een tijd om bezig te zijn met kunst en schoonheid.’

Ik zat te knikken. Ik herkende dat. Met één bijgedachte: laat die kunst er nu maar even vantussen en hou de schoonheid over. De kunst is een strofe van de schoonheid.
...
Of de gruwel groot of klein is, wereldwijd of in de intimiteit, zolang ik me kan herinneren, heb ik één tegenbeweging gehad: richting schoonheid. En die heeft duizend-en-één vormen, net als de gruwel trouwens.

...
Maar altijd dus heb ik toevlucht gezocht in de schoonheid.

Die laatste heeft me in zekere zin gered. Anders had ik me al lang geleden laten opzuigen. In de Nilfisk van de kleine gruwel. Of laten verslaan door de grotere gebeurtenissen.

Dat is nauwelijks een boutade. Misschien is het begonnen bij die moeder. Zo ongenadig en oorverdovend ze de ochtend kon opzuigen in haar kleine monster, zo stil kon ze stralen in de avond met parels om haar hals.

Onwillekeurig heeft ze me zo het verschil geleerd tussen het prozaïsche en het poëtische. Dat besef, en de behoefte aan haar straling na het stofzuigen, heeft me niet meer verlaten.

Nog altijd ben ik aangetrokken door schoonheid, al klinkt dat behoorlijk pathetisch – terwijl het soms best wel pathetisch is. Maar het is geen verslaving, geen obsessie, geen visioen. Het is zo dagelijks als wat, zij het wel chronisch.

Evenmin is het een ziekte, zelfs geen aandoening. Het is gewoon zo dagelijks als wat. Vooral is het terloops. En overal, en vooral en passant. Het is iets dat ik betrap en omgekeerd, dat mij betrapt.

Als was ik een dief.

Het schuilt net zo goed in, ik noem maar wat recents, een vroege lichtvlek in de badkamer, de smiley van de eidooier, als in een oogopslag aan de huishoudrollen in de Carrefour, de lade die ineens schokkend hapert, een afgedankt haarbandje op straat, het genie van een paperclip, een opengesneden peer die haar lichaam imiteert. Het schuilt in wezen in alles. Ook helaas in de gruwel.

En schuilen is het juiste woord.

Daarom is de kunst maar een strofe, of hooguit een refrein van de schoonheid. Het werkzaamst is die laatste in het voorbijgaan. In seconden, in tellen, in mums van tijd.

Ze is er niet om zichzelf, om zich te vertonen, zoals veel kunst. Ze gaat gewoon schuil in de lopende uren. Om de hoek. In een lichaam. In de gang der dingen.

In wezen zou men er de klok rond mee bezig kunnen zijn. Van het eitje tot haar dagelijkse woelwater ’s nachts. Zich allebei van geen kwaad, geen zinnelijkheid, geen schoonheid bewust.

Maar het zou geen leven zijn.

Altijd, daarom, gaat ze voorbij in het voorbijgaan. Zoals in de film die ik eerder noemde. Daarin draagt een moeder haar zoontje naar bed. En terwijl ze dat doet, ziet het kind een speling van het licht op de vloer. Gewoon in het voorbijgaan.

Misschien is het daar en toen begonnen bij dat kind: bij die toevallige speling, onvergetelijk net voor de slaap, van een schoonheid die hij nog niet begreep omdat hij moe was, maar wel had gezien.

En die hem nooit meer zou verlaten, in het proza van zijn toekomst.

Uit: Speling - Si & La - Bernard Dewulf - Weekblad - De Standaard - 11 februari 2017

 


                       ...

 

Er komt een tijd dat alleen schoonheid
je leven nog kan redden.
Het reddeloze aan deze gedachte
is dat geen mens kan bepalen wat schoonheid is.

Er is niemand die het in jouw plaats doet of kan of mag doen.

Geen school of paus, geen -ismen of strekkingen.
Geloof me.
Zij is helemaal alleen van jou.

Jij bent God in het diepst van haar bestaan.

Laat niemand aan de haal gaan met haar.
Met jouw Troost van Schoonheid.
Vandaag is het de ochtend die wakker wordt.

Morgen is het misschien te laat.



PS.
Elk woord dat ik hier neerpen voor jou
heeft geen zin,
als het je niet bekoort of verleidt.

Al was het maar één ogenblik.

Dat ik je gids mag zijn.
Naar binnen of naar buiten.
Heel even maar het kind in jou laat wakker worden.

Dat je weer ziet en luistert, ruikt of voelt.

Dat je vergeet
wie je bent, wie je bent geworden.
En dat, later als je groot zal zijn,

nog elke dag kan. Als je maar klein blijft.

PS.
Dank u, Bernard Dewulf, voor zoveel schoonheid
die jij de vrijheid gaf.
Ik geef ze wel een schuilplaats. Als ze kwetsbaar rond zich heen kijkt.



 

 

 306514

10-02-17

dat vreemde lichaam

Vertalen is een vorm van zwijgen, in de buurt van het al gezegde. En luisteren, luisteren, luisteren. Om vervolgens op te spreken, grotendeels als de andere, ten dele als wijzelf.

Ergens in een korte mijmering noemt de vertaler Johan Boonen vertalers ‘bevoorrechte gluurders’. Maar meer dan kijkende voyeurs zijn het luisteraars, met, ik citeer, ‘een onbeschrijfelijk respect voor de stilte van de tekst’.

En over die tekst zegt hij ook nog: ‘Geef hem de tijd.’
....

Natuurlijk klonk ze toen anders, werd ze anders gebruikt, anders opgevoerd. De taal. We weten soms zelfs niet precies hoe. Maar op een gegeven ogenblik komt de vertaler toch in een soort tussentijd terecht – of noem het een altijd-tijd – die diep in woorden, zinnen, beelden zit. Hoe oud of jong ze ook zijn.

Die altijd-tijd kan bij het vertalen voor een vervoering zorgen. Het besef dat er in het hart, of in de zenuwbanen van de taal iets tijdloos klopt of tikt of gewoon doorgaat. Van tijd naar tijd.

Misschien klinkt dit alles wat abstract. Terwijl ik het net zinnelijk bedoel. Vertalen is toch een transactie, een uitwisseling en, ja, een nadering tussen twee lichamen. Tussen twee corpussen, twee woordenschatten, twee grammatica’s, twee verbeeldingen.

Daarvan is dat laatste, de verbeelding, het belangrijkst. Vertalen ís ver-beelden. Een zo juist mogelijk beeld geven van de tekst, dat vreemde lichaam, in zijn nieuwe context. Daar is dus verbeelding voor nodig. Zowel in de zin van fantasie als van precisie.

Uit: Vertalen is bevrijden - Bernard Dewulf
De Standaard der Letteren - 10 februari 2017

 

***

Het liefst zou ik zwijgen. Na zo'n tekst. Stilte is de mooiste precisie
die kan volgen. Na zijn zinnen.
Elk ander woord verliest dan. Zichzelf. En dat vreemde lichaam.

De Taal.

Lost in translation. Misschien zondig ik nu wel tegen Dewulf:
maar is niet elke vertaling een verlies.
Niet alleen van schrijver naar schrijver.

Maar vooral van wit naar zwart. En van schrijver naar lezer.

Ik voel mij machteloos. Wanneer ik het ongezegde van het weerloze wit
tracht te vertalen.
Alsof je de zon wil schilderen en de zee in een woord wil gieten.

En toch blijf ik zondigen. Tegen dat vreemde lichaam.
Dat ik streel.
Alsof de Taal een Vrouw was. Een geliefde.

Bestaat er een schoner synoniem voor haar?



PS.
Toeval. Gisteren herhaalde ik een oude tekst in mijn dagboek.
Na Dewulf kan ik niet anders
dan dit vandaag opnieuw doen. De vertaling zal weer anders zijn.




 

Een vorm van zwijgen

Zie, hoe onmetelijk dit blanke veld is.
Die zwijgende afwezigheid van woorden.
Witte stilte van het niets. Dat ik openbreek.

Iets met niets bekleed. Een vlek van spreken.
Zonder toevoeging van enig weten.
Slechts het ontmantelen van mijn allenig leven.

Hoe dikwijls nog pleeg ik een aanslag
op dit onaantastbaar wezen.
Blad met volgeschreven leegte.

En ongeletterd zwijgen. De overtreffende trap van schrijven.

 

 

 

 

06-02-17

Later als ik nog ouder ben

.

 

 

06-02-16

Later komt nooit terug

 

Het is altijd weer moeilijk om te zien wat er in lichamen leeft. Elk lichaam is een schuilnaam.
En het is er zo donker vanbinnen.

En toch. Hoe langer ik toekeek, hoe mogelijker het me leek. Dat in iedereen wel zo’n boosheid leeft.
Of noem het een wonde, een pijn, een gat. Of noem het een verlatenheid, iets wat ontbreekt.

Zoals een dichter het noemde: het ont­brokene. Of weer een andere dichter: de bres.
Of zoals schilder Francis Bacon hem prachtig schilderde: onze grondeloze schreeuw.
...
En omdat ik niet precies wist wat hij wilde zeggen, de schreeuw, noch waar hij vandaan kwam of heen wilde,
heb ik hem dan maar een oude naam gegeven: melancholie.  Dat klinkt altijd goed.

Uit 'Si & la' - Bernard Dewulf - Het Weekblad - De Standaard
zaterdag 06 02 2016

 

 

Mijn lichaam is een schuilplaats.
Voor gemis en verlangen.
Ook voor weemoed.

Dat gemis aan vroeger.
Dat verlangen van toen.
Dat nooit een kans kreeg.

Omdat het altijd werd ingehaald. Door de werkelijkheid.

Het versleet of verslenste.
Of stierf embryonaal.
In de hunkering. Dat zachte graf.

Van de onmogelijkheid in ons bestaan. Later.

 


PS.
Later komt nooit terug.
Het is de toekomst
van ons verleden.

 

 270285

 

 

 

01-02-17

Hoe gaat het?


Intussen weet ik het niet. Hoe het écht gaat met de meesten om mij heen. En omgekeerd. Voor hetzelfde geld slaapt er iemand onnoemelijk alleen naast mij. Of in mij.

En ik weet wel, het is allemaal formule, beleefdheid, omgang, en we mogen niet klagen. Wij varen wel. En we kunnen niet elke dag op het voetpad ons hart luchten. Het plaveisel zou kromtrekken van schaamte.

Maar waarom had ik die verte nodig? Is het dichtbije te dagelijks, te bijziend, te kwetsbaar, domweg te vlakbij? Too close for comfort. Waarom weet nu alleen die verte werkelijk hoe het met mij gaat? En omgekeerd. Want ook daar gaat het zo. Zo liet de verte weten.

Soms baart het me zorgen. Soms zie ik ineens, haast als in een visioen, verbijsterend veel eenzaamheid om me heen. Op het voetpad, achter de vrolijke duim, in een zoen, zelfs in de vriendelijke groet van een mail. In geliefde lichamen, in snelle ontmoetingen, maar ook in tragere samenkomsten.

Zelden weet ik wat ik moet geloven.

Uit: Si & la - Bernard Dewulf - Weekblad De Standaard - 28 januari 2017

 

 

De trage verte.

 ***

 

Het  Post Scriptum hierboven, schreef ik gisteren in mijn dagboek.
En dan lees ik vandaag de volgende zin van Dewulf:

"Waarom weet nu alleen die verte werkelijk hoe het met mij gaat?"

Alleen de verte dus, kent mij. Ik schrok.
Hoe zit het dan met dit lichaam.
Bedrieg ik het stiekem.

Misschien doe ik dat wel onbewust om erin te kunnen blijven wonen.

Misschien spaar ik dit omhulsel om het niet verdrietig te maken.
Het is al zo oud geworden. Samen met mijn verte.
En ik ken het alleszins beter dan de reclame.

Die dit trage vehikel van alles wil doen geloven.
Dat het zo snel is als een elektrische fiets.
En zo knap als een puistige Adonis. Van de vorige oorlog.

Ach, soms houd ik m'n mond.
En laat ik dit corpus lankmoedig die prietpraat geloven.
Een beetje leugen voor een beetje geluk.

Alleen de verte die weet immers hoe het werkelijk met me is.




PS.
"De taal van poëzie is meerduidig."

Dat zei gisteren een jonge recensente in 'De wereld draait door'. NPO1.
Ze maakte mij gelukkig.

 

 305305

 

29-01-17

In het talmende licht

 

Rest, 1905, Bridgeman art- Hammershoi

Bernard Dewulf over het raadsel Hammershoi - In het licht van elkaar

Ik weet nog hoe ik zijn werk heb gevonden. Ik wilde, nog hoopvolle jaren geleden, een ‘poëtische anatomie’ van de vrouw schrijven. Van boven tot onder. Ik was nog maar bij de hals of ik kwam ­Hammershoi tegen. Zelden had ik zulke zinnelijke vrouwenhalzen geschilderd gezien, ook al zijn het feitelijk nekken. Daarna wilde ik zijn hele werk kennen.
Uren heb ik intussen gekeken naar zijn werk en ik kom er niet uit: kijk ik nu naar geruisloos geluk of peilloos verdriet? En van de nek van Hammershois vrouw kwam ik al snel uit bij zijn liefde voor het licht. Het is de logica zelve, maar je moet het zíén.
...

In het licht van Hammershois werk is het petite histoire, hoe pijnlijk die misschien ook was – of niet – in de werkelijkheid. Wat overblijft, in de schilderijen, is een bestaan vol onpeilbare stilte.

En ja, de trouwe aandacht van een stille man voor zijn, zo te zien, nog stillere vrouw, hun gezamenlijke hoge kamers, het licht dat ze er deelden, hun schuchtere bewegingen, de dagelijkse uren die ze er jarenlang verzamelden – in een bijzondere saamhorigheid die mogelijk vooral in de verbeelding van de verf bestaat.

Uren heb ik intussen gekeken naar zijn werk en ik kom er niet uit: kijk ik nu naar geruisloos geluk of peilloos verdriet? Naar koud of warm licht? Naar verveling of, integendeel, bezieling? Naar een wachtkamer of naar een woonkamer?

Nooit geeft Hammershoi uitsluitsel.

zaterdag 7 januari 2017 - dS Weekblad

...

En ja, de trouwe aandacht van een stille man voor zijn, zo te zien, nog stillere vrouw, hun gezamenlijke hoge kamers, het licht dat ze er deelden, hun schuchtere bewegingen, de dagelijkse uren die ze er jarenlang verzamelden – in een bijzondere saamhorigheid die mogelijk vooral in de verbeelding van de verf bestaat.
...

 

Mag ik de zinnen nog even herhalen.
Misschien was u wel te gehaast.



Het licht legt zich over haar.
Als een herhaling.
Van ochtend naar avond.

Het nodigt je uit. Om te aarzelen. Te dralen.

Misschien zag je de vraag van de verf niet.
Hoe ze je aankeek. En zich overgaf. Als een geliefde.
Haar hals op je wachtte. Voor een ogenblik.

Om zich daarna weerloos aan te bieden. Volmaakt verloren.

Voor de verbeelding van je lippen.
Of zie je dat dan niet. Hoe onmachtig ze wacht.
Op het zuchten. Van je adem. Badend langs haar haargrens.

En haar hals. Een strand vol begeerte.

Hoe bedrieglijk de stilte is. En de jaren gevangen.
In het gemis en de hunker. De gewelddadigheid
van de werkelijkheid. De lichtheid van dat bestaan.

Terwijl ze niet anders wil dan sterven. In je talmende armen.

 

 

 

PS.
Une petite histoire. Het klinkt als Eine kleine Nachtmusik.
Wat zijn wij anders in dit leven dan une petite histoire.
En als het werkelijk meezit Eine kleine Nachtmusik.


 

 

 

 

 

24-01-17

een metier is meer dan pronte tietjes

 

"Dit is literatuur. Geen korte, modieuze zinnetjes die een gebrek aan metier moeten verbergen. Hierin zit alles."

Citaat: Ella Louise - Cfr. lager voor uittreksel.

 

Soms voel ik me in deze wereld
een mankelieke priester aan het altaar.

Alleen met zijn Heer. God al lang gestorven.
Zelfs verlaten door elke doordeweekse kwezel.


Zijn geprevel in Latijn,
nog enkel begrepen door het verleden.

Waarin zijn dode zielen verder leven.

Alleen... in de Taal die ik liefheb.
Zo voel ik me soms.
Gelukkig zijn er nog enkele Hogepriesters.
Zoals een Dewulf,
die zinnen schrijft. Die ik wil brevieren.

Métier. Met of zonder accent.
Wat een chic woord. Geurend naar jalousie de métier.

Terwijl het ook elitair proeft. Een heerlijke smaak trouwens.

Maar toch soms wat hautain gekruid.
Onze eminente Rector spreekt al vlug over keukenpoëzie.

Ik weet niet Ella Louise, of je dit zal lezen,

maar je woorden maakten mij wat triestig.
Het was of ik, met mijn gebrek aan métier,
niet het recht had om te schrijven. Zoveel leegte. Bij mekaar verzonnen.

Terwijl ik schrijf om te ademen.
Te leven.

Ik weet het: soms erger ik mensen door de ondraaglijke lichtheid van mijn bestaan.

 

 

PS.
Natuurlijk mag ik mij niet aangesproken voelen. IK ben immers geen schrijver.
Noch dichter. En toch... jawel, en toch... raakten mij die woorden.
Alsof ikzelf een schrijvertje was.

 

 ....

 

 Uit het dagboek van Ella Louise:

Het lijkt wel alsof ze wordt gedragen door onzichtbare vleugels. Er zijn drie gevleugelde figuren in de Oudheid: Hypnos, Eros en Thanatos. Wolf kon als een godin enkel met haar ogen dansen. Die waren meestal licht omfloerst, alsof ze net gehuild had en schuldig om genade smeekte. Vandaag droeg zij een hemmetje met het opschrift: for sale, dat haar buik en navel bloot liet. De blikken die zij trok lieten op ons een merkteken achter, ze wierpen als het ware het lot van de jaloezie, haar en onze liefde bezoedelend met jaloers gif. Wolf had een ander hemmetje met de voorspellende woorden: gravity wins. De tieten van wolfje die nu veertig was, staken nog pront naar voren. Het doet iets wanneer je vrouw door iedereen, meer nog door vrouwen dan mannen, met jaloerse ogen wordt opgevreten.

...

 http://ellalouise.skynetblogs.be/

...

Citaat uit een recensie van Mark Cloostermans

"Godenslaap is volgens de auteur het eerste deel van ‘een literaire, alternatieve geschiedenis van België’ (DSL 9/10/2008). Dat is een spectaculair ambitieus idee, maar aandelen in Mortiers onderneming durf ik vooralsnog niet te kopen. Je ziet de auteur zinnen monteren met de precisie van een horlogemaker. Je ziet hem de mijmeringen van Helena stofferen met poëtisch proza waar menig dichter stikjaloers op zal worden. Maar na een bladzijde of tweehonderd besef je dat het allemaal verloren moeite is:
deze superbe kathedraal van taal is leeg, volledig en integraal leeg. Mortier heeft niets te vertellen, niets te melden. Godenslaap is een veelkleurige, wonderschone zeepbel van een roman. Het glanst, het vibreert en het zweeft als een mirakel in miniatuur – en tegelijk is het niet meer dan een vliesje rond een bel lucht. "

En toch, ondanks Cloostermans:
2009 – AKO Literatuurprijs voor Godenslaap

 

PS.
Ik houd van zeepbellen. Van rode ballonnen. En sneeuwvlokken.
O, ook vlinders wil ik niet vergeten. In dit lichte lijstje van zwevende mirakels.

Bellen poëzie.

 

 

 

14-01-17

Het helderst herinner ik me niets.

Het helderst herinner ik me niets. Dat is geen boutade. Wie lang genoeg naar vallende sneeuw kijkt, kijkt ook naar een stilte in het hoofd. Een wak in het geheugen.

Sneeuw is domweg bevroren water. Maar zijn hart schittert in een onuitputtelijke symmetrie. Zijn vel is even ijzig als donzig. Zijn val is sprookjesachtig. Zijn ligging is zonder onderscheid, zowel over tuinen, snelwegen, skipistes als vliegvelden.

En altijd valt hij uit de lucht.

Sneeuw valt uit een nergens. Geen nieuws is hem bekend. Geen klimaat heeft hem veranderd. Geen geschiedenis heeft hem aangetast. Altijd lijkt hij als voor het eerst op te dagen. En laat hij vervolgens de wereld even verdwijnen – om haar heel even schitterend te laten verschijnen.

 

Uit: Si & La - Bernard Dewulf - DS - Weekblad

 

 

Want niemand kan mooier vallen

Vandaag dus.
Er ligt meer herinnering op de daken.
Dan sneeuw.

Het vermoeden van vroeger.

Want
het helderst herinner ik me niets. Tenzij
de grote mensen die een sneeuwman willen maken.

Terwijl het jongetje enkel wil kijken.

Niemand kan immers mooier vallen.
Dan de vlokken.
Waarom dan een beeld bouwen.

Tenzij om even voor God te spelen.

Maar wie kan Hem imiteren.
Neen, laat de witte rimpelingen onaangeroerd.
Verzamel je woorden. Vul ze met vlokken.

En schrijf dan met je handen vol: niets.

 

 

 

PS.
Ik schrijf sneeuw. Maar moet me haasten.
Om tien uur staan de heren voor de deur.
Een dierenarts gewapend met een advocaat.

Dochter en ik zullen wachten.
Op de sleutel.

En dan?

Mijn hoofd is kalm. Van de Xanax.
Mijn maag gromt vervaarlijk.
Als een kwaaie hond.

 

 302957

18-12-16

Achter voordeuren en avondramen

 

 

 

Afbeeldingsresultaat voor waaiende gordijn

 

Foto van het internet geplukt.

 

En nog altijd loop ik graag langs voordeuren en avondramen. Sta ik er even stil, kijk ik er steels naar binnen. En vang ik er een glimp op, in de spaarlampen van de intimiteit. Van het verborgen leven achter voordeuren.

Wat ik er allemaal al heb vermoed, in die snelle glimpen.

De stille gruwel die zich soms – of vaak? – afspeelt achter onze gevels: ik heb geen bewijzen, ik ben er zelfs niet de poetsvrouw, laat staan de hoofdgetuige, maar ik ben er zeker van. Of ten minste mijn verbeelding is dat, want weinig wat meer tot die verbeelding spreekt dan deuren en gordijnen.

Als huizen konden praten, we zouden wat ­horen. Alleen al over de woon-, de eet- en ander verlichte kamers.

Wat er zich verder afspeelt waar niemand ooit komt, tenzij de bewoners: wie heeft er enig idee? Wie weet er hoe de anderen, zowel de ­buren naast de deur als de vrienden in het hart, wérkelijk hun dagelijkse bestaan in hun luwte slijten?

En ik heb het niet over ‘huiselijk geweld’ of ‘verkrachting onder partners’. Daar staan terecht straffen op.

Het gaat om de dagelijkse, kleine, terloopse, haast onzichtbare, sluwe, dodelijke intimiteit. Van de tongen tot de gestes. Van de badkamers over de kinderkamers tot de slaapkamers.

Tot, natuurlijk, de hartkamers en de hoofden – daar komen zelfs de poetsvrouwen niet.

En wie weet wat wij te horen zouden krijgen van onze trouwe poetsende getuige, nu ze al twintig jaar ons wekelijks stof verwijdert en dweilend naar onze kamers luistert. Ik weet niet of ik het zou willen weten.

Uit: Si & la - Bernard Dewulf
Het Weekblad van DS - zaterdag 17 december 2016

 

 

 

Ik heb nooit een poetsvrouw gehad
in mijn leven.
Een vrouw wel. Als je die tenminste kan hebben.

Het klinkt zo bezitterig.

Alsof ze een auto is
of een mobieltje.
Onroerend goed. Vastgoed.

Terwijl je naar ontroering en vervoering snakt.

Zoals gordijnen
in de zomer spelen
voor het open venster. Met de wind.

In de luwte van zijn streling.

Een onzichtbare minnaar
die haar lusten laaft.
Van tong tot teen.

Achter voordeuren en avondramen.

 

 

 PS.
In de intimiteit van de avond, geven de ramen zich bloot.
Als doorkijkblouses.
Boeken tegen de wand. Waar de verbeelding woont.

Of kille lampen.
Boven de balansen van een boekhouder.
Die de tijd consolideert, tot na de komma. Nuttig.

 

299596

 

bernard dewulf

 

 

10-12-16

ik was niemand... in de tegenwoordige tijd

Zot

Zopas overleed schrijver Paul de Wispelaere. Hij was 88. Ik was 22. Toen ik, een kwarteeuw geleden dus, voor zijn deur stond. En niet heb aangebeld.

Sommigen zullen nu denken: Paul de Wie? Sommigen zullen hem gelezen hebben, anderen niet. Sommigen zullen zich dat lezen herinneren, anderen niet of nauwelijks. Zo gaat dat. Ook bij een schrijver die zo uitdrukkelijk schreef tégen de vergetelheid, de teloorgang en de veronachtzaming.
...

Ik was in die vormende jaren zo dankbaar voor alles wat ik kreeg. En misschien wel het belangrijkste wat Paul de Wispelaere me onuitwisbaar heeft meegegeven, is: altijd nog is er de taal.

Altijd nog is er de taal.

En zijn taal was, zeker in die neder-Vlaamse tijd, tegelijk feilloos en fonkelend.

En mede daarom dus stond ik, nog als student, met mijn net verworven rijbewijs, zomaar op een avond voor zijn deur. Uren, in mijn ­herinnering, had ik gezocht naar zijn afgelegen woning. Op grond van de boeken.

Er was nog geen gps. Waanzinniger zoektocht heb ik zelden ondernomen.

Ik weet niet hoe vaak ik uiteindelijk zijn tuinpad op en af heb gelopen. Ik zag hem achter het raam zitten: in zijn eentje aan het eten, terwijl zijn talrijke katten om hem heen fleemden.

Het was donker, ik was niemand tenzij een toegewijde lezer, ik was dankbaar en ik heb niet aangebeld. Ik ben gewoon teruggereden. In het gissende donker.

Zo zot kan men dus ooit worden door het lezen van boeken.

Uit: Si & La - Bernard Dewulf
Het Weekblad van De Standaard - 10 december 2016

 

 
Graag had ik gans zijn column gekopieerd
maar dat zou De Standaard niet appreciëren.
Daarom dus pik ik slechts een stukje
om jullie leeshonger aan te wakkeren.

Je appetijt wakker te maken.

Twee van mijn helden in één stukje.
En daaronder twee Tags.
Om ze makkelijk terug te vinden.
Later.

Smakelijk!

En nu zwijg ik.
Zoals we dat vroeger moesten.
Onder het eten.




PS.
Vrouwen kwamen en gingen in mijn leven.
Ach, het klinkt veel zo.
Doch het waren er slechts enkelen. Die ik wat dieper kende.

Maar de Taal en de Letteren ben ik altijd trouw gebleven.


 

PS.
Deze zinnetjes, wil ik je nog meegeven:

En daar zat ik dan in de les, terwijl ik hem zonet nog gelezen had bij een kom havermout. We waren niet met zovelen, in een kring. Het mooiste meisje moest naast hem komen zitten, en wie geen behoorlijk Nederlands sprak, zag hij liever niet terug. Tenslotte studeerden we taal en letteren, nietwaar?  

...


O, mijn God, was ik maar Professor Literatuur geworden.
Zodat het mooiste meisje van de klas, naast mij mocht zitten.
Ik heb werkelijk mijn talenten verspeeld.
En nu is later al lang gepasseerd. Ik zal nooit in de Hemel geraken.

 

 

 298627

 

01-12-16

een geur van devotie

 

 

 

bernard dewulf


Daarstraks zag ik de zee
zweven

ze leek op een meeuw

en het blauwe water van de hemel
viel niet naar beneden
maar trotseerde de zwaartekracht

zoals de storm
peilt naar het evenwicht van schepen
in de kanteling van hun bestaan

om niet te vergaan.

***



Toewijdingen


Het is een woord uit een andere tijd.

Toegewijd.
Een vorm van devotie.

Voor ik deze dag achter me laat,
lees ik nog even Dewulf.
Mijn kleine god en toeverlaat.

Hij schrijft over schilders.
En penseelt poëtisch
over het witte canvas: verf van woorden.

Ik drink en inhaleer.
Twee gebreken en geneugten.
Rust en stilte. Ze geuren naar vroeger.

Toen vrouwentongen door het venster keken.

 


PS.
Het WWW is klein geworden. Een mondiaal dorp.
Met steegjes en verkavelingen.

Ik verdwaal in hun efemerisch verhaal.
Daar besta ik slechts even.
Een duim lang. En onzeker.

Ik ga voor een nieuwe wereld.

A brave new world.
Waarin ik de straten teken.

Rituelen. Om me heen leg.
Als barricades.
Tegen de leegte.

De nacht mag het duister binnenlaten.


PS.
Toewijdingen - Verzamelde beschouwingen -  Bernard Dewulf.
Uitgeverij Atlas - 2014

 

 PS.
Dank voor de foto, D.
Bizar. De foto bleek niet zichtbaar voor de lezer.
Terwijl hij op mijn scherm stond te glunderen.

Dank voor de opmerking Mrs. J.

 

 

30-11-16

Tegenziel

 

 

Niemand is gemaakt voor iemand. Soms
raken wij verstrikt in het lamento van een tegenziel.
En is niet, zei je, elk moment bereid
tot de fabels van het vel, het sprookje van de oneindigheid?


Uit 'Blauwziek' - pag. 24 - Dido's klacht - Bernard Dewulf

 

 

Etudes

Het begin
is wit. Nog niet gevallen
sneeuw

van gedachten
woorden zonder lichaam
letters zonder huid

nu pas kan je me lezen

zodra ze zich bekleden
met inkt
op vel van papier

gesproken
verdwijnen ze als warme adem
in vrieslucht

geschreven stollen ze in tijd. Een oefening in zwijgen.

 

 


PS.
Terug naar het geschreven woord. Tastbaar.
Textuur van vorm en gewicht.
Vermomde schrijvers.

Laat mij het fluïde van de 'virtualitijd' vermijden.
En me bekeren tot papier.
Voelbaar in bundel en boek.

Als de avond moe is van het praten.

 

297437

27-11-16

En niemand raakt ze aan

 

Het is ook wat handen dagelijks doen, begroeten én afscheid nemen. Samenkomen en uit elkaar gaan. Ontmoeten en verlaten. Niemand weet wat zijn laatste hand zal zijn.
...
Ogen en handen luisteren nauw in de verf. Misschien omdat ze het meest beweeglijk, onbegrijpelijk en ongrijpbaar zijn. De ogen zijn de vingers van de blik, de vingers zijn de ogen van de tast.
...

 

Herinnering aan het sterfbed van mijn moeder, 1965, Roger Raveel.
Collectie verzameling SMAK Gent. Marleen De Muer

 

Alles in dit schilderij beweegt, ademt, zindert, wervelt van kleuren, ruimte en bezieling – behalve die afgezonderde hand. Die ligt doodstil en te langgerekt in het laatste bed. Alsof ze zich uitstrekt naar iets dat wij, levenden, niet kunnen zien.

En niemand raakt ze aan.

Ik weet niet of ze dat bedoelen met ‘palliatief’ of ‘euthanasie’: dat ergens een andere hand ons nog aanraakt voor we gaan. Alsof we die ons eeuwig zullen herinneren.

Of dat iemand toekijkt: zo dus, uiteindelijk, verlaten wij de wereld, met een afgezonderde hand die zich uitrekt, nog even reikt naar het licht, het laken, de kamer, het tijdstip. En wacht tot nog iemand ze vastpakt. Of niet. Of niet kan. Of niet durft. Of vreest: straks is het aan mij.

Straks verdwijn ík in dat vreemde grote witte, ijle vierkant in het schilderij. Waarvan niemand weet wat het betekent.

Uit 'Reflector' Bernard Dewulf ziet een beeld en denkt aan kunst. Weekblad DS - 26/11/16

 

 

En niemand raakt ze aan.

En toen dacht ik: dit is de definitie.
Van eenzaamheid.
Geen hand of herinnering.

Huid zonder belang.
Bekleed met gemis.
En verlangen.

En niemand raakt ze aan.

Geen ogen
die je volgen naar de keuken.
Geen streling
door je haar.

Geen warme adem
over je schouder.
Geen traan
over je losgelaten.

Want niemand raakt je aan. Ook niet in Ispahan.

 

 

 297041

 

26-11-16

En toen gebeurde er niets...

 

En toen gebeurde het.

Nog even keek ik terug in de krant. Omdat er, zo bleek, ook al ‘kunsthuid’ bestaat die ­‘levensecht en warm aanvoelt’. Zoals skai en ­leder, nylon en zijde, zeemvel en zeemvel. Zodat er dan toch, misschien, op een dag, een gloeiende seksrobot aan mijn ontbijt zal zitten met koorts in haar batterijen.

Daarna keek ik weer op. Ik denk dat ze al in het buitenland zat, toen ik het zag. Ik schrok niet, ik keek niet weg, ik gilde niet. Ik had gewoon haar eerste grijze haar gezien. Na al de jaren van het zwarte, tienduizend ontbijten lang.

Het was er maar één, maar het was er. Ook het ochtendlicht kon er niet naast kijken. Het was zelfs alsof het bewust dat ene haar eruit lichtte, terwijl ik nog in eergisteren en zij in gisteren zat. Aan het begin van vandaag. Met een seksrobot straks, in een zeemvel.

Ik bleef er maar naar kijken. En het ontroerde me.

 

Uit: Si & la - Bernard Dewulf - Het Weekblad van DS - zaterdag 26 november 2016

 

 

Wellicht ben ik veel te vroeg geboren.
Je merkt dat aan mij.
Te traag en te romantisch.

Nog niet klaar voor een seksrobot.

Ik ben altijd technisch onhandig geweest.
En kan me levendig inbeelden wat er gebeurt,
als het zover is.

Je zit bijna aan de zevende hemel
en, ploeps, daar is de batterij plat.
Van zo'n metalen seksmadame.

Daar zit, lig of sta je dan met al je briesende lusten. En spetterende goesting.

Neen, geef mij dan maar
haar zuchtende haar, die eindeloze huid en deinende duinen,
Van een golvende geliefde. Zonder batterij.

Zoals. De zee en haar strand. Ebbe en vloed. Het gaan en komen.

 

 


PS.
Ontroering. Dat is mijn trefwoord. Het werkwoord van weemoed.

 

 

 296915

20-11-16

Waar de egel (niet meer) gaat

 

Afwezig

Als zij weggaat trekt het huis zich terug.
Zij wuift nog en ik woon er al niet meer,
om mij heen verstrakken muren tot een zaak
van steen. Alles wacht op haar om ook van mij
te zijn. Een stoel heeft mij herleid tot
mijn gewicht, kasten staan, raam heeft zicht.
Ik zit aanwezig, nog verbonden met mijn ik.
 
Tot zij thuiskomt van de wereld houdt
de wereld op. Zij vestigt waar zij gaat,
en wat zij achterlaat, het huis en ik,
blijft van haar over, op haar ingericht.

Uit: Waar de egel gaat. (1995)

 




Waar zal ik schuilen
tenzij in jou
nu de wind aan de ochtend schudt
en  van de hoge bomen
hun  laatste bladeren plukt

waar moet ik heen
tenzij naar jou
nu het leven mijn laatste jaren
telt en de negenproef
mijn weemoed toetst aan vroeger

toen ik nog moest later worden.
 


 

PS.
Wolken als woeste legers trekken  over. In de verte hoor ik
het bonken van hun laarzen. Une marche funèbre.
En de zee huilt.  Over de stranden. Daken die kreunen.

PS.
Toen ik gisteren de dikke bloemlezing van Pfeijffer in mijn handen nam,
zocht ik meteen naar mijn geliefde dichter.
Niet één gedicht van hem had de helmboswuivende Keuzeheer
waardig bevonden. Om zijn smaak en de tijd te doorstaan.

Terwijl er heel wat jong geblaat de bladen bevolkt.  Alsof haast alles al voorbij was.



Bernard Dewulf
1995 – Waar de egel gaat. Gedichten. – 52 p. bekroond met de debuutprijs 1996

2006 - Blauwziek
De bundel Blauwziek bestaat uit een viertal cycli, Langzaam oog, Naderingen, Winterhuis en Blauwzieke badkamer, waarin Dewulf zich laat kennen als een weemoedige kijker, een teruggetrokken eenling die vergeefs tracht de wereld buiten te sluiten. Dat doet hij in bedachtzame verzen. In Blauwziek is iemand aan het woord die gelaten het onmogelijke probeert.

Ilja Leonard Pfeijffer
De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw in duizend en enige gedichten (2016)

 

 

 

296138

19-11-16

Gekneusd gras

 

Het nieuwe meisje moest zich voorstellen aan de klas. Toen werd ze toch wat verlegen. Even lachte ze niet meer en hield ze zich vast aan haar vlechten.

Daarna zei de meester dat ze vandaag een vlinder zouden maken. En of het nieuwe meisje dat goed vond? Ja, zei ze, ‘ik heb dat nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan’. Het klasje schoot in de lach en het ene meisje glimlachte weer: hoe kun je nu iets nog nooit gedaan hebben en het wel kunnen?

Dat vond ze wel spannend.

De hele middag was de klas bezig met het maken van een vlinder. De meester had gezegd dat hij wel moest kunnen vliegen. Anders was het maar een domme vlinder.

Het ene en het nieuwe meisje zaten samen in dezelfde groep. En samen hadden ze de vliegendste vlinder van de klas gemaakt. De ene had volmaakte vleugels berekend, naar de beweging van de vogels in de lucht over de speelplaats. De andere had een bries verzonnen in een zomerdag, hoewel het al erg november was.

 

Uit 'Si & la' - Bernard Dewulf - Het Weekblad van DS - zaterdag 19 november 2016




Gekneusd gras

Daar stonden ze. Twee woorden.
Ik schreef ze achteloos neer. In een brief.
Een onverwacht verbond.
 
En, o, mijn God,
wat was ik gepakt door deze metafoor.
Verwonderd. En verrast.
 
Ik kreeg een vergezicht
doorheen dit beeld.
Waarin weemoed geurde naar nat gras.

Een voetbalveld van verloren dromen.



PS.
Ik zag vele velden in Vlaams Brabant. Langs de lijn.
Van aanval en verdediging.
Ego's samengedrukt in een ploeg.
Joelend gras. Of verdrietig. Al naargelang.

Dat gras was verschillend van de pelouse in een tuin.
Die van de buurvrouw.
Groen dat te wachten lag. Op onderhoud.
Op momenten dat het stil was. Steriel gras.

Met een luide motor, wanneer ik aan tafel zat. Te eten.

Zou ze het zomaar kortwieken, vroeg ik me af.
Of het vooraf toespreken.
Met genegenheid en prudentie. Pudeur en barmhartigheid.

Mededogen. Voor de kneuzing die ze toebracht. Aan elk sprietje.




296019

15-11-16

mooi en zinloos

Het was alsof de poëzie in de keukentafel zelf zat. Alsof er in die nieuwe hoofden telkens een nieuwe taal ontstond. En altijd, even, was er die gedachte: hoe blijven we het verwoorden? Waar blijven we het vandaan halen, in die paar letters die we hebben? Uit dat handvol muzieknoten die de tijd ons geeft.

Hoe blijven we nieuwe zinnen verzinnen, nieuwe muziek zingen, nieuwe bewegingen maken, nieuwe beelden bedenken? Met gewoon doremi een dagelijks uitdijend heelal aan liedjes, die allemaal anders zijn.

U gelooft het of niet, die ochtend ben ik nog uren zoet geweest. Tot het raam er scheel van keek en ik ook die zin niet terugvond op het net.

Eerst de krant, dan de werkkamer, ten slotte het uitzicht: helemaal veranderd heb ik ze met niets dan nieuwe taal.

 

Uit : Si & La - Bernard Dewulf - Weekblad - DS - 5 november 2016

... 

 

"De zin van elke mooie zin, was dat hij mooi en zinloos was."
Cyrano de Bergerac

 

Vermits ik niet aan een oeuvre werk,
mag ik me gewoon laten gaan.
Schrijven. En nu en dan wat schrappen.

Later. Als de inkt al opgedroogd is
op dit wit.
Dat nooit papier was. En ook niet besprenkeld werd.

Niet meer dan schaduw op licht. Wonderbaarlijk toch.

Ik tik hier dus,
zomaar op een willekeurige ochtend, mezelf neer.
Alsof ik wat te vertellen had.

Terwijl ik geen stellingen poneer.
Pro Deo of pro domo.
Neen, ik ben niet meer dan een vallend blad.

En alles wat ik hopen mag,
is dat het even dwarrelt.
Een vlokje sneeuw imiteert.

En dat jij dan even vergat. Of terugdacht aan wat je ooit liefhad.

 

 

 

PS.
Gisteren kreeg ik een (virtueel) briefje. Zomaar.
Omwille van een paar woorden uit mijn Blog.
Ooit was ze in 'de onvoltooid verleden tijd' terechtgekomen door een zoektocht.

Naar Dewulf en Bonnard. En zo was ze hier verdwaald.

Ik vermoed dat ik ondertussen een twintigtal jaren schrijf
in deze wijde wereld. WWW.
Ik heb vele vele brieven gekregen, kort of lang.
En virtueel. E-mails heet dat tegenwoordig.

Ze kwamen zomaar uit het niets. Maar allen verdwenen ze weer.
Naar het niets.
Tenzij enkelen. Enkelen maar die bleven.

Waarom toch?

 

295434

12-11-16

ontboezemingen

 

Het feitelijke begin was een doodsbericht in de krant. Het modeblad Vogue heeft immers afgekondigd dat ‘de tijd van het decolleté’ voorbij is. Vanaf nu heersen nog hooguit ‘een blote schouder’ of een ‘streepje buik’.

De zoveelste nieuwe zedelijkheid – waar ­miljoenen vrouwen zich, lees ik, naar dreigen te zullen schikken, want Vogue is ‘de modebijbel’.   ...

De mooiere decolletés zijn de nauwelijkse, haast onzichtbare. Niet die bolle decimeters met die holle weg in het midden. Een decolleté is ­millimeterwerk. Misschien komen er wel schuifpassers bij kijken voor de betere vrouwenspiegels. Weet ik veel.

Dan wordt het uitzicht een minnelijk landschap. Glooiend, matig deinend. Of nog beter, in rusttoestand, een stilleven.

Tussen icoon en vanitas.

Ik kan er nu wel poëtisch over doen – en zelfs het wonderlijke spel van clair-obscur in zo’n decolleté overslaan – tik het in op het net en we zien de gruwelijkste vergissingen.

Een decolleté is een stille ode, geen manifes­tatie. Een hommage, geen happening. Een eerbetoon, geen advertentie.

Blader in zijn geschiedenis, al van ruim tien eeuwen terug, en altijd weer krimpt het en zet het uit, volgens een raadselachtige conjunctuur. En ­altijd weer is het op z’n mooist, z’n edelst, zijn ­effectiefst, zijn lichtst wanneer het fluistert, fezelt, suggereert. En glimlacht.

Wanneer het soeverein alleen laat zien wat het wil tonen. Om zichzelf en om niemand anders.

Dan, ja, kijkt mijn mannenblik dankbaar en deemoedig toe. En weg. En terug en weer weg. Als een kat tussen prooi en slaap.

En toen, na uren bladeren, geslingerd tussen schoonheid, vulgariteit, tederheid en lust, kwam ik dus op die eerste zin: ‘Alles van schoonheid luistert nauw.’

Het mooiste decolleté, bedacht ik, is helemaal geen decolleté. Het is een bloesje. Zo met van die knoopjes. Die wat toevallig openvallen.

Op een kier.

Het deurtje naar het paradijs.

Dáár heb ik de mooiste decolletés gezien, waar ik ze niet zag. Een schaduw achter een vergeten knoop.

Uit "Si & la" - Bernard Dewulf - Weekblad van DS - 12 november 2016

 ...

 

Over sommige dingen
kan je niet spreken. Een onderwerp
waar je amper mag aankomen.

Vooraleer je het beseft, heb je het verpest.

Schoonheid is als een zucht
op een vriesochtend.
Je adem bevriest.

Je ziet wat onzichtbaar is.

Zo wil ik sluiks en slinks
een tijd verwijlen
bij de boezem. Vooraleer hij gestorven is.

Geknakt als een bloem.
Voor de ene een klaproos, voor de andere een Dahlia.
Maar altijd een bloem.

Om van te houden.

 


PS.
Zo lees ik mijn literaire leermeester het liefst.
Groots in het kleine.
Gedurfd in het subtiele.

Met open mond en ingehouden adem
haperde ik door zijn woorden.
Zijn aftastende blik. Zijn strelende handen.

Zoals een zondagsschilder over het landschap. En het doek.


PS.
Liefde, een onmogelijk verlangen?
Nu voor één Euro te koop.
Met een bonnetje in De Standaard.

Straks knip ik mijn gemis eruit. En dan op weg naar de krantenwinkel.
Waar De Wachter op mij wacht. Een poortwachter voor de brug.
Van het verlangen naar de liefde.

 

 295113