17-12-17

‘Avec élégance’.

© AF - De Standaard

Grond

Onlangs stond ik voor een groep. Ik sprak er. Omdat ze me dat gevraagd hadden. Het ging goed. Ik stond er. Al vele tientallen keren heb ik dat intussen gedaan in het volwassen leven: voor een groep medemensen staan-en-spreken. Toch stierf ik alweer staande, voor de zoveelste keer. Als vanouds knikten de knieën tegen elkaar als was ik al mijn geraamte. U kent dat wel: zo’n zwaaiend skelet met een koordje eraan. Zo voelt het op zijn ergst.

Na afloop zei een lieve vrouw: wat hebt u dat zo rustig gedaan. Dat zou ze zelf nooit kunnen. Met nog de bibber op het lijf dankte ik haar, maar met zoals altijd de schouders strak gespreid. Van mijn rammelende skelet had ze niets gemerkt.

Zo gaat het nu al het hele leven. Er is het zelfbeeld en, nu ja, het andere beeld. Het ene is geboren met knikkende knieën, het andere overleeft soeverein overeind. Zoals iedereen ben ik schijn en wezen. Zo zijn wij allemaal verdeeld over onszelf: in wie we zijn en wie we schijnen. En soms weten we het even zelf niet meer. Maar de verhoudingen verschillen. Blijkbaar kan ikzelf tegelijk sterven in mezelf en standhouden voor u. Dat heb ik mezelf aangeleerd, al heel vroeg. Nog voor de klas. Anderen kunnen dan weer iets anders.

Zo kan ik nog even doorgaan. Ik ken talrijke mannen, vrouwen – van intiem tot ver – die ik zelden op twijfel, verdeeldheid of gewoon maar enige wankeling heb betrapt. Maar wie weet. Misschien zijn ze nog veel beter dan ik. In hun verschijning.  Sommigen hebben een afgrond, anderen een grond en zelfs een ondergrond.

Sommigen staan, zoals men dat zegt, in het leven. Geheid als heipalen. Anderen vergaan erin. Als drenkelingen. Sommigen drijven er moeiteloos op, anderen verzinken erin.

En altijd, al in korte broek, heb ik het geweten: om er niet in te verzinken zal ik erin moeten staan. En ik heb het gedaan, althans staande voor de mensen. En nooit ben ik daar afgegaan. Maar nog immer knikken de knieën. Het wordt er dus ook niet beter op met de leeftijd. De bloedsomloop slibt dan wel dicht, de afgrond niet. Meer zelfs, het wordt alleen maar erger. Alsof dat ravijntje, dat fontanelletje in de ziel waarmee men geboren is, almaar uitdijt. En zelden lijkt het breder dan wanneer ik voor de mensen sta, of soms gewoon met ze omga, terwijl ik tegelijk zelden steviger schijn dan daar. Maar dan wel na afloop, of na afscheid, naar huis terugkeer als een gapende wonde.

In dat ravijn stromen angst en schaamte, al sinds een soort oertijd, of noem het de moeder, de eerste en de mooiste afgrond die ik herkend heb. Want herkennen doe ik het soms wel. In iemand. Dan lijkt het eigen ravijn ineens wat smaller. Maar even vaak uiteraard zie ik het niet. Zoals in die lieve vrouw toen na afloop misschien. Of misschien herkende zij op haar beurt iets. En waren haar woorden een omhelzing. Afgronden immers worden doodgraag omhelsd, hoe onmogelijk of pathetisch dat ook lijkt. En ze hebben ook hun lichaam hard nodig. Stel u anders voor.

En hun schouders. En de blik, die niets zal verraden, tenzij voor wie lang en goed oplet. Vaak glimlacht die zelfs. En het liefst van al vertoont hij een grijns. De afgrondelijke grijnst graag. Of beter, hij kan niet anders. Het is het gezicht van zijn gaping. Notoire afgrondelijke grijnzer én innemende glimlacher is uiteraard onze zanger Jacques Brel. Hij gaf voor zowat elk optreden over en stond er vervolgens onvergetelijk voor de mensen. Overal in zijn liedjes gapen zijn ravijn, zijn angst, zijn schaamte. Maar ook zijn trots. O de trots van de afgrondelijke.

Kort voor zijn dood heeft hij ze nog eens verwoord, zijn wonde. Onder de duidelijke titel ‘Avec élégance’. Anders gezegd: ondanks alles bestaan én gaan in stijl. Jammer dat ik hem hier niet luid kan laten zingen, zo net voor alweer de holle, valse dagen van ‘Jingle Bells’. Ik citeer hem dan maar, vanzelfsprekend in zijn schitterende Frans. Daarin grijnst hij het mooist en het pijnlijkst. Over onze angst, onze lafheid, onze wanhoop.

 

Savoir qu’on a toujours eu peur

Savoir son poids de lâcheté

Savoir ne plus se pardonner

Mais écouter son cœur qui danse

Etre désespéré, mais avec espérance.

Bernard Dewulf
De Standaard - Het weekblad - 17 december 2017

                                                    °°°

 

Eerst was er het beeld.
Toen ontstonden er woorden in mijn hoofd.
Ze wankelden. Ze hielden zich niet staande.

Toen kwamen de zinnen van de schrijver.

Ze kenden elkaar niet. Beeld en woord.
Hadden elkaar nooit ontmoet.
Maar ik bracht ze samen.

Hier.

En plots, gewoon door hun nabijheid,
werden ze anders.
Ze vervreemdden van de schrijver.

Hij schreef wat hij niet had gewild.

Lees maar, er staat niet wat er staat,
riep hij nog. Wanhopig. In dezelfde Krant.
Amper enkele pagina's van mekaar verwijderd.

Maar zijn scripta waren autoritair en autonoom geworden.

En hij stond machteloos.
Voor de lezer.
Die bevangen door het beeld, zijn woorden aankleedde.

Met het bloot dat hen had bedekt.






PS.
Ik verontschuldig mij bij Bernard Dewulf.
Omdat ik hem een tekst laat schrijven die hij niet geschreven heeft.
Mea maxima culpa, lezer,
nooit kan u nog de tekst van de schrijver lezen. Zoals hij er staat.

Want het beeld erboven herschreef de woorden.
Anders dan in hun naakte staat.

Ik heb sommige woorden in het vet aangedikt. Zo markeren ze nog meer het beeld. En de zin.
Wederzijds.

 339148

 

Post een commentaar