15-10-17

de grens van het verlangen

...
Ons ingeboren verlangen naar de ander kan leiden naar de hemel en naar de hel. Talloos zijn de levens, de huwelijken, zelfs de vriendschappen waarin het verlangen naar de ander ons vernietigt.

Maar de grondtoon in mijn verlangen naar de ander is toch de onkenbaarheid van de ander. Nooit zal ik de vriend, de vrouw, niet eens mijn bloedeigen kind werkelijk ‘kennen’, laat staan dat ik er ooit mee zal samenvallen.

Zoals gezegd, ik beleef dat als zowat het meest bestendige verlangen in de dagen. Het uit zich even geestelijk als lichamelijk. Elke omarming is in gedachten een vereniging, maar in de armen zelf een mooie, moedige of armoedige poging. Toch beschouw ik het niet als een tragische kwestie.

Het zou, alweer, geen leven zijn.

Meer zelfs, met de jaren heb ik er de genade en de schoonheid van ingezien. Heb ik allengs begrepen dat net daarin, in die eeuwige nadering, ons menselijkste onvermogen en onze uiterste samenkomst schuilen. Dat de ander een grens is waarlangs wij verlangen naar de overgang, die nooit zal plaatsvinden. Altijd, tussen alles en iedereen, gaapt een niemandsland.
...
Het lijkt me de even uitzichtloze als natuurlijke beweging die elk wezenlijk verlangen bezielt. Wij komen nooit verder dan onszelf, terwijl net wijzelf niets liever zouden willen. Niet omdat we dat per se zelf willen, maar omdat we gewild worden.

Na die vaststelling rijst de onontkoombare vraag: hoe wordt er naar mij verlangd? Anders gezegd, in welke mate ben ik zelf het voorwerp van al dat verlangen dat ik belijd jegens de ander? Hoe word ik als doel van andermans verlangen, begeerte of hoop beschouwd?

Het is geen onbelangrijke vraag. Ze kan genadeloos zijn.

Niet alleen is ze een romantische verzuchting naar de wederkerigheid van het verlangen. Dat is een bekend thema in de hoofse minne- en andere lyriek. Of in menige hedendaagse ballad.

Vooral keert ze de beweging om. Het verlangen dat als een boemerang terugkomt. Wie begeert, wil zelf ook begeerd worden – of niet? Wie zelf verlangt, zal het zich toch ooit weleens afvragen: hoe en hoezeer word ik zelf verlangd?
...
En al even natuurlijk, zo heb ik het met de jaren leren aanvaarden, word ik niet begeerd wanneer ik dat wel zou willen. Zowel uit de verte als van nabij.

Concreter: verlangen de borsten naar mijn handen zoals mijn handen naar hen? Of ben ik meer verlanger dan verlangde? Meer zender dan ontvanger? Meer begerend dan begeerd? Dat geschil is zo oud als de straat. Het is de weerloosheid die elk verlangen noodzakelijk in zich draagt.

Onvermijdelijk wordt de ene mens meer ‘aangeraakt door begeerte’ dan de andere, in de breedste zin van dat woord. En ikzelf adem nu eenmaal vooral aan de kant van de begeerders. Dat heeft voor- en nadelen.

Wie hoopt dat zijn verlangen als in een spiegel vanzelf teruggekaatst wordt, staat weleens voor een lege spiegel.
En daar ontstaat een nieuw verlangen, misschien wel het vreemdste van alle. Het kan even afgrondelijk als vluchtig zijn: het verlangen naar onszelf.

Uit het: Het wankele evenwicht van het verlangen - Essay van Bernard Dewulf
De Standaard - Het weekblad - 14 oktober 2017

                                                                   

                                                                     °°°


 

 Het verloren verlangen

Zal ik haar neerschrijven
als een dwarrelende vlok
of als een dartele gedachte

zal ik haar taille omcirkelen
met de accuratesse
van een landmeter
die zijn verlangen afstapt

of ben ik een biddende sperwer
boven het gemis
en de breedte van haar hunkering

terwijl ik me verlies in de vertwijfeling.

 

 

Lacan zegt over de mens en zijn verlangen:
"le désir de l'homme, c'est le désir de l'autre. "


Vrij vertaald:
"de mens verlangt verlangd te worden door de andere'.
Gehoord in 'Het voordeel van de twijfel'.

 

 

 

PS.
Moe word ik van dat verlangen. Wanneer stopt dat eindelijk eens.
Ik vrees enkel aan de rand van dat gat of
wanneer ik een stofje word dat nog even dwarrelt boven het gras.


In mijn dromen word ik (bijna) elke nacht geconfronteerd met mijn machteloosheid.
Mijn (bijna) voorbije leven. Had het enige zin?


332606

Post een commentaar