24-08-17

in een oud tapijt

‘Ik was bij hem (Herman), hij had me geroepen toen hij achterbleef omdat hij het wandeltempo van de groep niet kon bijhouden. […] Gerrit was pas later op de fatale ochtend uit het hotel vertrokken en op weg gegaan naar het festival. Hij was langs de onheilsplaats gekomen, het terrasje van een klein café. Daar had hij een lichaam zien liggen, opgerold in een oud tapijt, dicht tegen de muur geschoven. Hij was enorm geschrokken toen hij later besefte dat dat Herman was.’

Uit 'Een tuin in de winter' - pag. 59 - Anna Enquist - Herinneringen aan Gerrit Kouwenaar


Een tuin in de winter

 

 

totaal witte kamer

Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken
nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik

dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal
de kamer wit maken, nu, nooit meer later

en dat wij dan bijna het volmaakte napraten
alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar

dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale
zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven
witter dan, samen –

Gerrit Kouwenaar


                                                                  °°°

 

De avond zweeg hoorbaar. De bomen fezelden
voor het slapen gaan.
En ik miste een al te late merel.

Die uit de haag zou opvliegen.
Om in een gedicht te schetteren.
Maar wellicht had de dood hem de stilte in gejaagd.

Zodat de woorden zonder muziek achterbleven.


 

 

 

PS.
Ik schrok hevig. Herman de Coninck, mijn dode dichter aangetast in mijn herinnering.
Gestorven in de armen van Enquist.
En daarna opgerold in een tapijt. Een oud tapijt.

En helemaal alleen.

Zelfs een gewone dode gun je meer. Een laken.
Desnoods vluchtig van het bed getrokken.
Met nog warme kreukels van de nacht. En de geur van fado.

Hij die lenig in de liefde was. Nu stram en klaar voor het transport.


327569

Post een commentaar