18-08-17

Beste Toon

Beste tor,

schreef hij. Hij kneep zijn ogen dicht en dacht na.
Plotseling hoorde hij lawaai. Hij keek op. Woorden drongen zijn kamer binnen. Ze kwamen door het raam, door de kieren in de muur en onder de deur door. Ze waren klein, droegen zwarte jassen en holden achter elkaar aan. ‘Met’ en ‘mij’ zag hij, en ‘gaat’ en ‘het’ en ‘goed’. Ze gingen aan de ene kant van de kamer staan.

Aan de andere kant van de kamer zag hij ‘ik’ en ‘ben’ en ‘heel’ en ‘somber’, die blijkbaar door een gat in het dak waren gekomen. Ze waren iets groter en droegen ook iets zwartere jassen.
De krekel kon zich niet verroeren. Voor hem lag de brief met

Beste tor.

De woorden stampten drie keer op de grond en stormden toen op elkaar af. Midden in de kamer grepen ze elkaar beet, sleurden elkaar naar de grond, trapten elkaar, krabden elkaar en probeerden elkaar te verscheuren.
Stof wervelde op en de krekel hoestte.
Pas na lange tijd ging het stof weer liggen en werd het stil.

...

De genezing van de krekel

...

De krekel bleef de hele middag op de grond liggen. Het sombere gevoel sprong in zijn hoofd heen en weer en sloeg op zijn slapen, uur na uur.
Aan het eind van de middag blies de wind een brief naar binnen.
Voor de neus van de krekel viel hij op de vloer.

Beste krekel,
Met mij gaat het ook goed.
De tor

Toen begon de krekel te huilen. Grote stromen tranen vloeiden langs zijn wangen en langs zijn vleugels en zijn voelsprieten en zijn voeten.
Zijn schouders schokten.
Het was de treurigste brief die hij ooit had gelezen.
(Hoofdstuk 8)


                                                               °°°

 

Beste Toon,


hoewel ik goed rond me heen kijk, zie ik geen woorden de kamer binnenstormen.
Ik vind dan ook niet meteen de juiste woorden om naar u te schrijven.
Dat is spijtig.

Want ik bewonder u heel erg. En ik zou u graag mijn beste woorden sturen.
Maar nu vind ik ze niet.

Misschien zijn ze wel met vakantie. Ondanks het feit dat ik ze keurig heb opgevoed.
En hen op de gevaren van het reizen wees.
Het kan ook dat ze ziek zijn. En bedlegerig. Of heimwee kregen. Naar het wit.
En zich daar verstoppen.

U zal begrijpen dat het moeilijk voor mij is om ze daar te vinden.

Vroeger kon ik op mijn pen sabbelen. Of aan mijn pijp lurken.
En dan kwamen ze al vlug te voorschijn.
Ik vermoed dat ze van de geur van Semois hielden.
Maar sinds december 1998 rook ik niet meer. En sedertdien gaat het niet meer zo goed
met mijn woorden.

Ik moet ze nu uit mijn toetsen vissen. En u weet ook wel dat dit niet zo makkelijk is.


Beste Toon,

ik weet heel erg weinig. En ben wat jaloers op de krekel en de mier.
En de olifant en de zwaan. En al die anderen.
Misschien wisten zij alles, wat ik totaal niet weet.

Ik hoop dat het goed met hen gaat. Dat de olifant niet meer in de boom klautert
en het nijlpaard dansles gaat volgen.
Zelf ben ik daar te oud voor.

En hoop van u hetzelfde.

een lome vis uit een ongeschreven verhaal

 

 

326976

11:15 Gepost in Dagboek | Tags: toon tellegen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook

Post een commentaar