16-07-17

Het burlen van de eenzaamheid

Het begint met eenzaamheid. Je moet veel alleen zijn. Als je door omstandigheden (werk, kinderen, gedwongen opname in een kliniek) niet alleen kunt zijn, zul je ’s nachts moeten schrijven, als iedereen slaapt, of ’s morgens heel vroeg, lang voordat iedereen wakker wordt.

Om een boek af te maken, ging ik naar Terschelling. Een eiland is een goede plaats voor zoiets. Je steekt een zee over, je bent onbereikbaar voor de tienduizend dingen.

Het huis steekt met zijn rug in een duin en kijkt uit over een kom met zeedennen, helmgras en abelen. Het is moeilijk om hier een ongelukkige schrijver te zijn. Mensen zie je niet maar hoor je wel. Vooral jongeren. Daar zijn er veel van op het eiland. Hun geslachtsklieren spelen op. Ze burlen.

Ik heb nog vier dagen voor de grote vakantie begint, vier dagen voor ik zes weken tot stilstand gedwongen ben omdat mijn dochters Vier-op-een-Rij willen spelen en opheldering eisen over waarom de aarde rond de zon draait en niet andersom.

Het boek is eigenlijk al klaar, maar om zeker te zijn van mijn zaak zet ik het manuscript naast me neer en typ het woord voor woord over, als een kopiist die stiekem verbeteringen aanbrengt. Eén voor één neem ik elk van de zeventigduizend woorden nog eenmaal onder de loep. Pas in het overschrijven doorgrond ik de intuïties en verborgen drijfveren van het verhaal, pas nu heeft het kans om van een middelmatige een goede roman te worden.

Ik ben ervan overtuigd dat iedere schrijver diep van binnen weet dat hij eigenlijk een slechte schrijver is. Een goede schrijver is alleen hij die onverbiddelijk is voor de slechte schrijver in zichzelf, en hem meedogenloos onderdrukt.

Vier dagen zonder gebeurtenissen, of het moet het winterkoninkje zijn dat op een avond met een doffe klap tegen het raam vliegt. Het siddert op de tegels, ik pak het op en houd het in de kom van mijn hand. Het sidderen stopt, de kraaloogjes gaan dicht. Niet doodgaan, zeg ik, niet doodgaan, en dat kleine leven in de kom van mijn hand lijkt plotseling, in een aanval van magisch denken, samen te hangen met het welslagen van de roman die nu op een haar na klaar is… 

En ik blaas warme adem op het vogeltje, dat na een tijdje zijn ogen opent alsof het alleen maar even sliep en dan wegvliegt, zodat het nu vast goed komt allemaal, en ik de zee weer kan oversteken met een nieuw boek in mijn tas.

Stukje uit AD - Tommy Wieringa

 

Het begint met de ochtend.
Ik ben alleen.
Met
het dagelijkse ritueel: koffie en speculoos.


Ondertussen sijpelt samen met de koffie

het nieuws binnen.
De radio verbreekt de stilte. Even.


Dan wachten de woorden.

Zij op mij.

Ik op hen.
Zonder verba en scripta kan ik niet.

Zonder ben ik doof en blind.

Tast ik in het duister van de dag.
Zinnen zijn zuurstof.
Voor gedachten en vingers.

Ze burlen.


 

PS.
Sedert enkele weken heb ik een proefabonnement op HLN.(1 Euro).
Ik heb moeite om de naam van de krant voluit te tikken.
Gans mijn leven al heb ik een lichte aversie voor deze gazet.
Die ik nooit als een (volwaardig) dagblad gezien heb.

Maar, toegegeven, digitaal is het een interessante formule.
Ik kan nu in 6 (!) kranten mijn topics lezen.
Literatuur. Poëzie. Torfs. Etcetera.
Je moet schipperen in het leven.


323822

 

Post een commentaar