25-03-17

Nooit meer wenen

Altijd weer, zelfs uit een nachtmerrie, word ik wakker met het intense gevoel dat ik iets zo helder heb gezien als ik het ‘bij leven’ nooit zie. Nooit zo scherp. Alsof ik dromend andere, hogere ogen heb. Alsof ik een buizerd heb diep vanbinnen.

Ik kan me de dagen moeilijk voorstellen zonder die dromen. Ik heb dan ook in vergelijking met velen op de wereld dromen van dagen. Maar misschien, de dag dat ik onuitwisbaar een afgerukte arm in parelmoerblauwe stof zie liggen terwijl ik ren voor mijn leven, als een voorheen onbekend roofdier in mij, misschien dat er dan iets ophoudt in mij.

Ik zou het niet weten. Maar wie weet morgen.

De man herinnert zich ook nog: ‘Pas acht maanden na de aanslag huilde ik voor het eerst. Zo lang heeft het geduurd.’

Dan moet ik eigenlijk zwijgen. Dat is inderdaad verschrikkelijk lang.

Ik leef, begreep ik na het getuigenis van deze man, in dromen van dagen. Hoe dagen zijn zonder te kunnen dromen en huilen: ik zou het niet weten.

Ik doe ze beide zowat dagelijks, dromen en even kort huilen, ergens vanbinnen, waar inderdaad de pijn zit. Maar er zijn zoveel soorten pijn. In het lichaam.

Uit Si & la - Bernard Dewulf
Het Weekblad - De Standaard - 25 maart 2017

                                            ...



De laatste keer was in 2015. In een ziekenhuis.
Op de kamer waar moeder lag te sterven.
Ik brak. Heel even. Ik had het niet verwacht.

Want ik zag de dood van haar niet als een reden om te wenen.

Misschien duurde het wachten wel te lang.
Vooraleer ze naar de eeuwigheid mocht gaan.
Toen ze op zondag wakker werd, vroeg ze me:

'Werkt dat pilletje nu nog niet?'

Ze dacht dat ze euthanasie kreeg.
Maar dat mocht niet van de regels.
Het moest langzaamaan gebeuren.

En dus sliep ik naast haar, negen dagen en nachten lang. Een genade.

Tot het woensdag werd.
Halfacht in de ochtend.
En zij hier alles achterliet.

'Voor wie of voor wat moet ik nog blijven?', vroeg ze.

 


PS.
Ze genoot nog van elke dag. Hoewel ze meer dan 98 was.
En zelden buitenkwam.
Dat had ze het liefst: thuis mogen blijven.

Naar buiten kijken. Naar de wereld. Die niet groter was dan haar venster.
Gelukkig maar. Want op TV was hij te gruwelijk geworden.
Niet om aan te kijken.

Toen het, na anderhalve maand,  vaststond dat ze niet meer naar huis mocht,
toen wilde ze niet meer blijven. Leven.
Voor wie of voor wat?

PS.
Het is of er in mij een poreus gesteente leeft.
Dat wacht op water. Tranen.
Daarom sta ik elke ochtend lang onder de douche.

Een imitatie.

 

311010

 

 

 

De commentaren zijn gesloten.