03-03-17

Muzeliefje

 

reiger1.jpg

 Heb ik een muze, vroeg je. Ik schrok van het woord ‘muze’ dat ik zelf zo lichtvoetig had gebruikt. Zo pretentieus klonk het me in de oren. Ooit vroeg ik aan een ex, toen ze nog geen ex was, toen ze nog niets was: ‘Wil je mijn muze worden?’ Een grap, natuurlijk, en ook weer niet.

Ze antwoordde: ‘Als het niet te veel tijd kost, want ik werk ook nog in de Albert Heijn.’

Het is werk, muze zijn, en het verschilt misschien nauwelijks van de werkzaamheden van een caissière.
De schrijver wordt verliefd op een muze, vrees ik. Liefde en muze lopen in elkaar over, waar het ene begint en het andere ophoudt is onduidelijk. Waarin zij of hij verschilt van het model van de schilder is eveneens onduidelijk. De muze hoeft minder stil te zitten, misschien dat.

Op straat, in de supermarkt, in restaurants, overal modellen, muzes. In alle leeftijden, in alle stadia van verval.

Arnon Grunberg  - Uit De Standaard der Letteren - vrijdag 3 maart 2017
Elke week schrijven de Nederlandse auteur Arnon Grunberg en de Vlaamse dichter Charlotte Van den Broeck elkaar een brief.

 


Mijn stad heeft mooie benen. -Stef Bos-

Mijn stad schrijft ook poëzie. Ze is mijn Muze.
Toen ik die heerlijke cartoon zag,

kreeg ik meteen een sierlijk stel benen voor ogen.
Soms reiken die wel tot aan de hemel.
Waar je dan wil wonen.

Lichtvoetig en lichtzinnig.

Licht van pas en licht van zinnen. Een mooi paar.
Zo'n stelletje woorden. Die bij mekaar passen.
Alsof ze verliefd zijn op mekaar.

Sommigen woorden worden poëzie. Alleen al
door er naar te kijken.
De suggestie. Een beeld dat uitdijt door verbeelding.

Daar ligt de kracht van een schepper. Et Dieu créa la femme.




PS.
Alsof Hij een vrouw nodig had. Toen Hij nog alleen was. En wellicht al eenzaam.
En ziedaar, zij werd zijn schoonste schepping.
En Hij noemde haar Eva. Muze.

Zij die gemis en verlangen smokkelt in het leven van mannen.
Ridders en rovers.
Jongetjes zonder mama.

Gisteren op Vier nog maar eens gekeken naar Hotel Römantiek.
Waarin een Retorica-klasgenoot van mij zich ontbloot
zoals ik hem nooit kende.

Zo blijven we toch steeds vreemden voor mekaar.
Tot de Muze ons verblindt.
En we mekaar zien zoals nooit te voren.

 



308810

Post een commentaar