27-12-16

de rare dichter en de verwonderde filosoof

Afbeeldingsresultaat

 

Foto internet

In zijn inleiding spreekt Pfeijffer zich uit voor ‘avontuurlijke’ poëzie: hij selecteerde het liefst gedichten die ‘raar’ zijn, die ‘de natuurlijke hang naar muzikaliteit met verve exploiteren’, die iets zeggen ‘zoals het nooit eerder is gezegd’. Dat gaat ten koste van ‘welluidend gepolijste kleinoden van geraffineerde mooisprekers’, maar vooral van ‘verstilde observaties die ten onrechte voor poëtisch doorgaan’.
Niet voor niets nam Pfeijffer van zichzelf een gedicht op waarin hij afrekent met de zogenaamde ‘verwonderingspoëtica’:
‘Wie nu nog durft te schrijven, heeft de dure plicht/ iets méér te leveren dan een zesmingedicht/ dat met verwondering naar de ontroering kijkt’.
In de praktijk betekent Pfeijffers afkeer van verstilde observaties dat een veelvuldig bekroond dichter als Judith Herzberg uit de boot valt.

Ilja Leonard Pfeijffer (samenstelling) 
De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten.
Prometheus, 1.434 blz., 29,95 €.

Uit: De Standaard der Letteren - vrijdag 23 december 2016

                                                                     ...


I. Verwondering en kennis
1.
In een boek met als titel ‘Inleiding tot de wijsbegeerte’ zou een paragraaf met de volgende inhoud kunnen worden aangetroffen.
‘Volgens Plato is de verwondering het begin van de filosofie. Verwondering over de veranderlijkheid van de dingen bracht hem ertoe het bestaan van eeuwige, onvergankelijke en transcendente ideeën aan te nemen.
Deze ideeën begronden het zijn en het kennen van de dingen op aarde. Als de mens naar de dingen kijkt, wordt in hem de herinnering wakker aan de ideeën, die de ziel voor haar vereniging met het lichaam heeft aanschouwd’.
Zo'n zin zou ook in een beknopte geschiedenis van de wijsbegeerte gelezen kunnen worden.
De verwondering neemt een essentiële plaats in de wijsbegeerte in, niet alleen als begin, maar ook als beginsel en fundament, waarop alles rust.
...

[p. 50]
Verwondering is alleen mogelijk vanuit een geborgenheid en als het gevoel van geborgenheid kinderlijk is, kunnen we ook zeggen dat de verwondering iets kinderlijks heeft. Dat kinderlijke is dan niet het kinderlijke van wie een kind is gebleven; het is veeleer het kinderlijke van wie een kind is geworden. Het kinderlijke is geen rudiment, maar een verworvenheid, misschien de belangrijkste. En inzoverre het kinderlijke een verworvenheid is, kan ook de gave van de verwondering worden verworven en een inleiding tot de verwondering zinvol zijn.

Citaat uit:
Inleiding tot de verwondering - Cornelis Verhoeven
Ambo, Utrecht 1967 © 2007 dbnl / Cornelis Verhoeven

 

Het wonder
van de verwondering.
Niet iedereen behoudt deze gave.

Ongeschonden.

Velen verliezen deze genade
onderweg
naar Status en Kapitaal

de consolidatie van het bestaan. Voor de Grote Mensen.


Slechts zonderlingen
bezitters
van ontroerende goederen

zoals de wind en de wolken

de dromen van bomen
het wiegen van weiden en koren
en het kabbelen van de dagen

blijven de gratie bewaren van weerloze waarden.

 

 


PS.
Ik moet toegeven dat ik niet meteen warm werd van de luide breedsprakigheid
van de jonge Pfeijffer in zijn Sturm- und Drangperiode.
Tot ik zijn GIRO GIRO TONDO las
en hij mij verwonderde. Zelfs ontroerde. Tegen zijn wil in, wellicht.

Ik zal niet investeren in de Bloemlezing van zijn 'rare' gedichten.
Inclusief zijn afrekening van verwondering en ontroering.
Het zal hem niets schelen.

 

 

 300832

 

De commentaren zijn gesloten.