04-11-16

een tent in je lichaam

David Nolens is geen schrijver maar een denker; de poppetjes die hij in De waan van Cotard gebruikt om zijn thema’s aan te snijden, doen er niet toe. Dat schrijft hij zelf: ‘Een roman — als de tussen twee kaften kunstmatige vulling van op elkaar gestapelde en aan elkaar geregen, plaatsgebonden anekdotes die als een paternoster de tijd ritmeren en van betekenis voorzien — zullen zij (de drie personages, red.) nooit worden.’ Is dit een afwijzen van de romanvorm, of de frustratie van een auteur die maar niet zijn draai vindt in het genre dat hij wenst te beoefenen? De waan van Cotard is het verhaal van een identiteitscrisis, maar daar doorheen schemert het verslag van een schrijverscrisis.

Veel overkomt er Jean, Anna en Jack inderdaad niet. Jean doorleeft een psychose. Zowel Anna als Jack realiseert zich dat de mensen op wie zij verliefd zijn ‘thuislozen’ zijn: mensen die in de eerste plaats een thuis zoeken, en wie die thuis met hen deelt, heeft minder belang. Rond deze ijskoude waarheid moeten zij hun relaties opnieuw zien op te bouwen.

 

Uit: Een tent in je lichaam - In David Nolens’ vijfde roman, De waan van Cotard, staat zowel de identiteit als de roman onder druk.

 

 

Zijn we niet allemaal thuislozen.
Dat verlangen naar de overkant.
Wie kent het niet?

Als ik zoals gisterenavond weer naar La Grande Librairie kijk,
o, mon Dieu, dan zou ik willen uittreden.
En verhuizen naar een ander lichaam.

Waarin het goed is om te wonen. Zoals God in Frankrijk. - Alhoewel-.

Nu ben ik slechts 'een god in het diepst van mijn verlangen'.
Waar ik op de troon zit.
Van mijn gemis. Dat altaar voor een ander.

 

 

PS.
Het was een drukke dag. Gisteren. Ik reisde zelfs naar de bib.
En De Morgen.
En las in die Krant "een brief aan de Dood".

Het is tenslotte november. Waarin het licht sterft. En de kaarsjes branden.

Ik kan alleen voor mezelf spreken. Maar ik treur meer om de levenden
dan om de doden.
Sommigen wachten met hun verdriet tot op het kerkhof.
Als de chrysanten bloeien. En de dode ze niet meer ziet.

En hun vragen niet meer hoort.

Ach, voor mij ligt het verdriet in ogen.
Die verdwenen.
En lippen die hun kussen meenamen.

Geen erfenis die ze achterlieten.

Neen, mij ga je niet vlug zien klagen aan de graven.
Maar ik zal de wind vragen
je geur te bewaren. Zodat ik je kan ruiken.

Zolang ik leef. En sterren aan de hemel staan. Boven een tent in je lichaam.

  

 

 

De commentaren zijn gesloten.