04-10-16

dichter kan ik niet

 

Om de zoveel jaar, schrijft Lerner, verschijnt er in de pers een opiniestuk waarin de poëzie wordt doodverklaard. (De laatste keer, bij ons, was op Gedichtendag 2016, in deze krant, met Maarten Goethals als grafdelver van de poëzie.) In het wereldje wordt er dan scherp gereageerd en daarna keert iedereen zich weer van de discussie af, ‘back to the future’.

‘Poetry isn’t hard, it’s impossible’, stelt Lerner. Een roman blijft doorgaans bij specifieke zaken (personages, een decor, een tijdvak), maar poëzie mikt op universaliteit, ze komt voort uit ‘the desire to get beyond the finite and the historical.’ Dat zijn grote woorden, maar Lerner trekt de stelling bovendien door naar la condition humaine. Poëzie is de uitdrukking van ons verlangen naar alles wat de mens kán zijn, het verlangen om te ontsnappen uit het zomaar-een-mens-zijn. ‘I dwell in Possibility’, schreef Emily Dickinson, geciteerd door Lerner, ‘A fairer House than Prose’. Tegenover prose staat niet poetry, zoals je zou verwachten, maar ‘Possibility’.

En natuurlijk is die ontsnapping onmogelijk. Natuurlijk wordt dat verlangen altijd gefrustreerd. En misschien is het daarom dat poëzie zo vaak klappen krijgt. Poëzie, de belofte die nooit maar dan ook eens nooit wordt ingelost. Sterker nog, het doodverklaren van de poëzie is ‘a defensive rage against the mere suggestion that another world, another measure of value, is possible.’ Mijn cursivering.

(Het klinkt allemaal heel religieus, inderdaad, en misschien is het normaal dat in een maatschappij met minder aandacht voor religie ook poëzie in de klappen deelt. Moeten we dat, zo bezien, betreuren? Dat is weer een andere discussie.)

Het knappe aan Lerners lichtvoetige, vaak komische en toch zeer lucide essay is dat hij de lezer laat voelen dat poëzie niemand echt onverschillig laat. Hij citeert ‘The Tay Bridge Disaster’, vaak genoemd als het slechtste gedicht ooit. Zelfs wie niets van poëzie afweet, hoort dat het een draak is. Iedereen herkent het verlangen, suggereert Lerner, en voelt het meteen als het gefnuikt wordt. De poëzie mag dan honderd keer doodverklaard zijn, we verdragen het nog altijd als iemand haar mishandelt.

De poëzie moet dood

 

 

 

 

Ingenieur van de verbeelding

Ik sprak hem over de poëzie van m'n stad.
Hoe de rokjes metaforen schreven.
Tussen het gewemel. Van de jonge lente.

Over roekeloze pleinen.

Het rijmen van hoge hakken.
En het klikklakken van hun jamben.
Terwijl ze als een sonnet voorbij dreven.

Hij keek me analfabetisch aan.

 

  

PS.
Daar sta je nu gewikt en gewogen,
gezeefd en goed bevonden.
Door de Dichter des Vaderlands.

Is het dit dan waar je van droomde?
Ooit de naam "dichter" over je woorden gelegd.
Als een bewijs. Een akte van geloof.

De àndere die vastlegt wie je bent.
Zoals een seismograaf trillingen van de aarde neerschrijft.
Neen, dus.

Nooit kan je die kinderdroom nog inhalen.
Hij is te ver weg.
In oude spelling gestorven.

Als een nutteloos gemis. Maar zolang ik leef zal ik verlangen.

 

 

 291085

 

 

 

09:07 Gepost in Dagboek | Tags: gezeefd | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook

De commentaren zijn gesloten.